Getypte rapportpagina (waarschijnlijk onderdeel van een technisch-economisch plan of memorandum).
Origineel
Getypte rapportpagina (waarschijnlijk onderdeel van een technisch-economisch plan of memorandum). -7-
| voor gezinnen met een inkomen van: | brandstoffenverbruik |
|---|---|
| f. 1.800.- - f. 2.300.- | f. 48,06 |
| f. 2.300.- - f. 3.000.- | " 50,42 |
| f. 3.000.- - f. 4.000.- | " 48,91 |
| f. 4.000.- - f. 6.000.- | " 83,47 |
| f. 6.000.- en meer | " 96,23 |
Naar de indertijd geldende prijzen kan men aannemen, dat dit voor gezinnen met ongeveer f. 2.000.- inkomen neerkomt op een verbruik van 20 hl = 1½ ton brandstof. Voor 32400 gezinnen zou dus de brandstoffen-aanvoer 48600 ton moeten bedragen; aangenomen mag worden, dat deze hoeveelheid in verband met het brandstoffenverbruik voor bedrijfsdoeleinden, voor verwarming van openbare gebouwen, enz. met 50% verhoogd moet worden, zoodat de noodzakelijke aanvoer van brandstoffen op 72900 ton gesteld kan worden.
Vooral in een nieuw aan te leggen streek als de Zuidelijke Zuiderzeepolders zal gedurende een lange reeks van jaren de aanvoer van bouwmaterialen een belangrijke plaats innemen. Volgens mededeelingen van den Gemeentelijken Woningdienst kan voor een arbeiderseengezinshuis gerekend worden met een behoefte aan te zamen 100 ton bouwmateriaal; het betreft dan een woning, waarvan de bouwkosten vóór den oorlog op f. 2.500.- kwamen. In de bijlage over de te verwachten bevolkingsgrootte werd geschat, dat de bevolking der Zuidelijke polders 32400 gezinnen zal tellen, waarin 4950 boerengezinnen begrepen zijn. Er moeten dus 32400 - 4950 = 27450 woningen, anders dan als onderdeel van boerderijen, gebouwd worden; uit dezen hoofde zal dus de behoefte aan bouwmaterialen ten minste 2745000 ton bedragen. In verband met den bouw van middenstands- en winkelwoningen zal dit getal vermoedelijk worden overschreden.
Wat de kosten der boerderijen betreft, wordt erop gewezen, dat men er voor den oorlog doorgaans mede rekende, dat de bedrijfsgebouwen in den landbouw incl. het woonhuis en de stalinrichting bij nieuwbouw f. 400.- à f. 500.- per ha cultuurgrond mochten kosten, met dien verstande, dat deze kosten op kleine bedrijven per ha meer bedragen dan op groote bedrijven. Tusschen de prijzen van "los" en "behuisd" land lag een met deze bedragen overeenstemmende marge, die echter uiteraard naar gelang van den ouderdom der betrokken gebouwen geringer werd. Er wordt nu aan herinnerd, dat in de bijlage betreffende de toekomstige bevolkingsgrootte het aantal bedrijven in de Zuidelijke polders gesteld werd op: 1650 bedrijven van 12 ha, 1650 bedrijven van 24 ha en 1650 bedrijven van 48 ha. De bovengenoemde getallen betreffende de bouwkosten als grondslag aanvaardend, komen wij dan tot de volgende globale raming van de benoodigde hoeveelheid bouwmateriaal.
Raming van de benoodigde hoeveelheid bouwmateriaal.
| Opp. per landbouwbedrijf | Aantal bedrijven | Bouwkosten per bedrijf | Bouwmateriaal per bedrijf | Bouwmateriaal in totaal |
|---|---|---|---|---|
| 12 ha | 1650 | f. 6.000.- | 240 ton | 396000 ton |
| 24 " | 1650 | " 11.000.- | 440 " | 726000 " |
| 48 " | 1650 | " 20.000.- | 800 " | 1320000 " |
| 2442000 ton | ||||
| \27450 woningen à 100 ton | 2745000 " | |||
| 5187000 ton | ||||
| \middenstandsbedrijven, openbare gebouwen, openbare werken: de helft der bouwkosten van woningen en boerderijen | 2593500 " | |||
| 7780500 ton |
De langzame groei van de Wieringermeer, waar na 10 jaren kolonisatie de bevolking pas tot ruim 5000, d.i. 0,25 per ha, gestegen is, geeft aanleiding de ontwikkelingsperiode van de Zuidelijke polders tot een volgroeide gemeenschap op 50 jaar te stellen. De aanvoer van bouwmaterialen zou gedurende deze periode dan gemiddeld 160000 ton per jaar bedragen, met dien verstande, dat in de eerste jaren na de drooglegging dit getal aanzienlijk zou kunnen worden overtroffen. In verband met de stijgende behoefte aan onderhoud en vernieuwingen zal de daling van den aanvoer na het einde van de eigenlijke kolonisatieperiode vermoedelijk geleidelijk verloopen en geen grooten omvang aannemen. * Logistieke planning: Het document is een schoolvoorbeeld van de minutieuze Nederlandse planning bij de drooglegging van de Zuiderzee. Er wordt niet alleen gekeken naar de grond, maar naar de volledige ondersteunende infrastructuur: van de hoeveelheid steenkool (brandstof) per inkomensklasse tot de tonnage aan bouwmaterialen voor verschillende types boerderijen.
* Sociale stratificatie: De tekst maakt onderscheid tussen arbeiderswoningen, middenstandswoningen en verschillende groottes van boerenbedrijven (12, 24 en 48 hectare). Dit weerspiegelt de sociaal-economische ordening die de overheid voor ogen had voor de nieuwe polders.
* Referentiekader: De Wieringermeer (de eerste grote polder, drooggevallen in 1930) dient als empirische basis ("benchmark") om de groeisnelheid en bevolkingsdichtheid van de nieuwe polders te voorspellen.
* Terminologie: "Stalinrichting" verwijst naar de interne uitrusting van de boerenschuren. De "Zuidelijke polders" verwijzen naar de gebieden die we nu kennen als Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Dit document is vrijwel zeker afkomstig uit de archieven van de Dienst der Zuiderzeewerken of de Directie van de Wieringermeer (de voorloper van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders).
Tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog werd er intensief gewerkt aan de plannen voor de volgende fasen van het Zuiderzeeproject. De ramingen in dit document hielpen bij het bepalen van de noodzakelijke transportcapaciteit (scheepvaart) en de toewijzing van schaarse materialen in de naoorlogse wederopbouwperiode. De genoemde 50 jaar voor een "volgroeide gemeenschap" laat zien dat men de polderontwikkeling zag als een project van de zeer lange adem.