Getypte rapportpagina (pagina 8).
Origineel
Getypte rapportpagina (pagina 8). -8-
Recapituleerend, bedraagt de geschatte aanvoer:
| Post | Hoeveelheid |
|---|---|
| kunstmest | 67500 ton; |
| landbouwwerktuigen | 5000 " ; |
| levensmiddelen | 70000 " ; |
| brandstoffen | 72900 " ; |
| bouwmaterialen | 160000 " ; |
| bovendien huisraad (w.o. inrichting van nieuwe | |
| huishoudens), kleeding en schoeisel, bedrijfs- | |
| inventarissen, gereedschappen, enz. $^{1)}$ | 35000 " ; |
| Totaal | 410400 ton. |
De aanvoer zou dus per inwoner bijna 3 ton bedragen; dit getal is hooger dan de indertijd door Ir. Ringers voor Westfriesland geraamde 2 ton per inwoner (zie blz. 5), hetgeen uit de veelzijdige behoeften van een geheel nieuw te koloniseeren gebied gemakkelijk te verklaren is. Vergeleken met den op 2 millioen geraamden afvoer, zal de aanvoer slechts een bescheiden omvang verkrijgen; de vervoerbalans van de Zuidelijke polders zal in sterke mate actief zijn. Dit valt niet te verwonderen; elke landbouwstreek met haar volumineuze en in verhouding tot industrieële artikelen relatief laagwaardige productie vertoont dit verschijnsel.
B. De voor het goederenvervoer benoodigde scheepsruimte.
In de toekomst moeten volgens de verrichte schatting jaarlijks ruim 400000 ton goederen in de Zuidelijke polders worden aangevoerd en bijna 2000000 ton goederen afgevoerd. Met welke verkeersmiddelen zal dit vervoer worden bewerkstelligd? Aannemende, dat geen railverbinding met de Zuidelijke polders zal worden tot stand gebracht, heeft de verlader alleen te kiezen tusschen de scheepvaart en het autovervoer. Slechts zelden zullen technische bezwaren het gebruik van een der beide vervoerswijzen in den weg staan; en dus zal de keuze doorgaans alleen door den gevraagden vervoersprijs worden beheerscht. Het is echter duidelijk, dat men omtrent de in de toekomst te verwachten vervoersprijzen voor stukgoed, massagoed, enz. bij de vrachtauto en bij het binnenschip ten eenenmale in het duister tast. Daarom zijn de hier volgende ramingen eenvoudig gegrond op de tot dusverre gebruikelijke wijzen van vervoer van verschillende soorten goederen en gaan daar enkele gegevens aan vooraf omtrent de vóór den oorlog waargenomen verhouding tusschen de per schip en per auto vervoerde hoeveelheden. In aanmerking wordt voorts genomen, dat de binnenscheepvaart in de Zuidelijke Zuiderzeepolders voortreffelijke kansen heeft om een sterke positie in te nemen; zij krijgt immers in het middenkanaal, in de randkanalen, in het kanaal Edam-Oosterleek en in de voor schepen van 200 à 300 ton bevaarbare polderkanalen de beschikking over uitstekende vaarwegen, die bij de Oranjesluizen, bij Stavoren en de Lemmer, bij het Zwarte Water en den Ketelmond aansluiten op de groote vaarwegen van het oude land.
Volgens een schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek $^{2)}$ bedroeg in 1939, wanneer het grensoverschrijdende vervoer buiten beschouwing wordt gelaten, het vervoer te water 32 millioen ton (58%), dat op den weg 11 millioen ton (20%) en dat per rail 12 millioen ton (22%). Water- en wegvervoer stonden dus tot elkander als 3 : 1. Bekend is een indertijd door Ir. J.G. Bijl voor de jaren 1923-1934 uitgevoerde schatting van de aandeelen van schip, trein en vrachtauto in den uitvoer van landbouwproducten uit de Haarlemmermeer $^{3)}$. Het vervoer per trein kwam nooit boven 10% en was steeds aan verdere daling onderhevig. Het aandeel van het binnenschip lag aanvankelijk tusschen 70 en 80%, was echter in 1934 tot 55% gedaald. De vrachtauto had in den loop der jaren zeer aan beteekenis gewonnen; het betreffende aandeel was van 10 tot 40% gestegen. Men moet hierbij in aanmerking nemen, dat de Haarlemmermeerpolder voor binnenschepen slecht toegankelijk is - alleen te Aalsmeer verleent een sluis toegang tot enkele, voor schepen tot 50 ton bevaarbare tochten - en dat de voornaamste centra, waarop het vervoer zich richt (Amsterdam, Haarlem, Halfweg) in de onmiddellijke omgeving van den polder zijn gelegen; in verband hiermede zijn de omstandigheden uitzonderlijk gunstig voor de vrachtauto.
De aanvoer in de Zuidelijke polders zal, zooals bleek in het voor-
1) geraamd op de helft van den levensmiddelenaanvoer.
2) Mededeeling no. 13 van de Afdeeling Handels- en Verkeersstatistiek, November 1941 (gestencild).
3) Zie zijn op blz. 3 genoemde studies.
Schr.P.W.Asd. * Taal en Spelling: Het document is geschreven in de vooroorlogse spelling (Spelling-Marchant), herkenbaar aan woorden als "hooger", "industrieële", "benoodigde" en de verbuigings-n ("den weg", "den gevraagden vervoersprijs").
* Inhoudelijke Kern: De tekst betreft een logistieke planning voor de nog in te richten Zuidelijke polders (het huidige Flevoland). Er wordt een vergelijking gemaakt tussen de geschatte aanvoer van goederen (ca. 410.000 ton) en de verwachte afvoer van landbouwproducten (ca. 2.000.000 ton). De "actieve vervoerbalans" duidt op een regio die vooral produceert voor de buitenwereld.
* Transportmodaliteiten: Er is een duidelijke discussie over de concurrentie tussen de binnenvaart en het opkomende wegtransport. Men concludeert dat, hoewel de vrachtwagen terrein wint (zoals in de Haarlemmermeer), de nieuwe polders door hun moderne grachtenstelsel zeer geschikt zijn voor schepen tot 300 ton.
* Opvallend: De afwezigheid van een spoorwegverbinding wordt als uitgangspunt genomen voor de planning ("Aannemende, dat geen railverbinding... zal worden tot stand gebracht"). Dit document stamt uit de periode van de Tweede Wereldoorlog, waarin de planning voor de Zuiderzeewerken ondanks de bezetting in zekere mate doorging. De "Zuidelijke polders" verwijzen naar de gebieden die we nu kennen als Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. De genoemde Ir. Ringers (Johannes Alidus Ringers) was een sleutelfiguur bij de waterstaatswerken en later minister.
Het document illustreert de transitieperiode in de Nederlandse logistiek: de verschuiving van vervoer per spoor en schip naar de vrachtauto, waarbij planners probeerden in te schatten hoe de infrastructuur van het "nieuwe land" hierop moest worden ingericht. De vergelijking met de Haarlemmermeer dient als historisch referentiepunt om de invloed van de nabijheid van steden op de vervoerskeuze te duiden.