Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 189
Dossier 93
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypt rapport met handgeschreven correctie.

Origineel

Getypt rapport met handgeschreven correctie. GEMEENTELYKE ZUIDERZEE-COMMISSIE AMSTERDAM.

Bijlage 2

Veranderingen in de (ondergrondsche) waterhuishouding te Amsterdam ten gevolge van de droogmaking van de Zuidelyke polders.

De hoogte van den grondwaterspiegel in Amsterdam is van groot belang voor den levensduur van bestaande houten fundeeringen, die gewoonlyk weinig onder het grondwaterpeil worden aangetroffen en eveneens voor een juiste bepaling van de fundeeringhoogte van nog te stichten bouwwerken.

Onder normale verhoudingen wordt de grondwaterstand bepaald door de snelheid van afvloeiing van het ingedrongen neerslagwater naar de open waterloopen. Aangezien de neerslag niet regelmatig valt, schommelt de grondwaterspiegel en bereikt een laagste peil naby het laagste peil van het open water.

Het open water in Amsterdam staat aan weinig peilvariatie bloot. Voor zoover behoorende tot den stadsboezem liggen de uiterste grenzen naby 0.65 m – en 0.10 m – A.P., voor Amstellands boezem naby 0.65 m – en 0.10 m + A.P. en voor den Noordzeekanaalboezem naby 0.65 m – en 0.10 m + A.P.

Een algemeen fundeeringpeil naby 0.65 m - A.P. zou onder deze omstandigheden verantwoord zyn. Er zyn echter factoren, die dit normale beeld verstoren.

In het grondlagenpakket onder Amsterdam en omgeving komen tusschen zandlagen van groote of vry groote doorlatendheid, grondlagen voor van zeer geringe of geringe doorlatendheid, gewoonlyk grootendeels uit klei bestaande. Al deze grondlagen zyn tot de in deze beschouwing in aanmerking komende diepten tusschen de korrels geheel met water gevuld. Dit water staat onder een zekere spanning, welke voor alle min of meer gescheiden "étages" van het grondwater verschillend kan zyn.

De spanning in een "étage" is afhankelijk van de stroomingen, welke in het water van die "étage" optreden. In het algemeen is alle grondwater in strooming - zij het ook een zeer langzame. De grootte en de richting van de strooming worden bepaald door de toestroomingen naar een bepaalde "étage" en door de verliezen, welke deze lydt.

Verlies kan byvoorbeeld optreden door een sterke onttrekking van bodemwater hetzy voor koelwater, hetzy voor verbruiksdoeleinden. In Amsterdam wordt in vry groote mate bodemwater onttrokken voor koelwater, in geringe mate ook voor bedryfswater. Ten gevolge van die onttrekkingen moeten in de diepe bodemlagen (bv. 60 tot 100 m – A.P.) toestroomingen plaats vinden van buiten af. Veronderstelt men nu de spanningsverhoudingen in wyden omtrek als onveranderd, dan is het duidelyk, dat die toestroomingen slechts kunnen optreden door spanningsverlaging in het centrum van onttrekking. Dit is dus een oorzaak van spanningsverlaging in de diepere bodemlagen onder Amsterdam.

Een ander voorbeeld is de diepe polder.

Wanneer een groote oppervlakte door diepe afmaling wordt drooggelegd, hetzy na vervening, zooals de Middelpolder onder Nieuwer-Amstel, hetzy zonder vervening, zooals de Watergraafsmeer, dan wordt plaatselyk het oppervlaktewater sterk verlaagd. In het algemeen daalt daarby het grondwater onder het spanningsniveau van het grondwater uit de dieper liggende "étages". Dit laatste grondwater zal zich nu over de geheele oppervlakte van den polder omhoog bewegen en daarby den weerstand van de moeilyk doorlatende bodemlagen overwinnen. Deze opstyging veroorzaakt de kwel. Zy is zeer groot wanneer onder den polder weinig ondoorlatende lagen voorkomen (Horstermeer) en minder groot in het tegenovergestelde geval.

Ook deze opstyging veroorzaakt een spanningsverlaging in de diepere "étages". Het waterpeil van het oorspronkelyke Diemermeer lag naby A.P.; de waterstand in de slooten van de Watergraafsmeer werd op ongeveer 5 m – A.P. gebracht. Het spanningsniveau van het diepere grondwater (op ongeveer 30 m – A.P.) zal oorspro- [tekst breekt af]

--- Dit document is een technisch-hydrologisch rapport geschreven in opdracht van de Gemeentelyke Zuiderzeecommissie Amsterdam. De kern van het betoog is de relatie tussen grootschalige droogmakerijen en de stabiliteit van de Amsterdamse bodemgesteldheid, met name de grondwaterdruk.

De belangrijkste punten uit de analyse zijn:
1. Gevaar voor funderingen: Amsterdam rust grotendeels op houten palen. Als de grondwaterspiegel te ver daalt, komen de koppen van deze palen droog te staan, wat leidt tot houtrot en verzakkingen.
2. Het concept "étages": Het rapport introduceert een gelaagd model van de ondergrond, waarbij verschillende waterhoudende lagen (watervoerende pakketten) gescheiden worden door slecht doorlatende kleilagen.
3. Spanningsverlaging door menselijk ingrijpen: De schrijver wijst op twee hoofdoorzaken voor de daling van de waterdruk in de diepe lagen:
* Directe onttrekking door de industrie (koelwater).
* De aanleg van diepe polders (zoals de Watergraafsmeer). Door het verlagen van het oppervlaktewater in zo'n polder ontstaat een opwaartse druk (kwel), waardoor water uit de diepere "étages" wordt onttrokken, wat weer leidt tot spanningsverlies in de wijde omtrek, inclusief onder de stad Amsterdam.
4. Waarschuwing: Hoewel het document afbreekt, is de strekking duidelijk: de aanleg van nieuwe "Zuidelyke polders" (onderdeel van de Zuiderzeewerken) zal effect hebben op de ondergrondse waterhuishouding van de hoofdstad en moet daarom nauwgezet bestudeerd worden om schade aan de bebouwing te voorkomen.

--- Dit document stamt uit de periode dat de plannen voor de Zuiderzeewerken (gebaseerd op het Plan-Lely) concreet werden uitgevoerd. Amsterdam maakte zich grote zorgen over de gevolgen van het inpolderen van de Zuiderzee (met name de Markerwaard en Flevoland, hier aangeduid als de Zuidelyke polders) voor de eigen waterhuishouding.

De Gemeentelyke Zuiderzeecommissie had als taak de belangen van de stad te behartigen bij de uitvoering van deze nationale projecten. Het document illustreert de vroege wetenschappelijke benadering van hydrologie en bodemmechanica in Nederland, waarbij men zich realiseerde dat ingrepen kilometers verderop directe gevolgen konden hebben voor de kwetsbare houten funderingen van de historische Amsterdamse binnenstad. A.P.

Samenvatting

Dit document is een technisch-hydrologisch rapport geschreven in opdracht van de Gemeentelyke Zuiderzeecommissie Amsterdam. De kern van het betoog is de relatie tussen grootschalige droogmakerijen en de stabiliteit van de Amsterdamse bodemgesteldheid, met name de grondwaterdruk.

De belangrijkste punten uit de analyse zijn:
1. Gevaar voor funderingen: Amsterdam rust grotendeels op houten palen. Als de grondwaterspiegel te ver daalt, komen de koppen van deze palen droog te staan, wat leidt tot houtrot en verzakkingen.
2. Het concept "étages": Het rapport introduceert een gelaagd model van de ondergrond, waarbij verschillende waterhoudende lagen (watervoerende pakketten) gescheiden worden door slecht doorlatende kleilagen.
3. Spanningsverlaging door menselijk ingrijpen: De schrijver wijst op twee hoofdoorzaken voor de daling van de waterdruk in de diepe lagen:
* Directe onttrekking door de industrie (koelwater).
* De aanleg van diepe polders (zoals de Watergraafsmeer). Door het verlagen van het oppervlaktewater in zo'n polder ontstaat een opwaartse druk (kwel), waardoor water uit de diepere "étages" wordt onttrokken, wat weer leidt tot spanningsverlies in de wijde omtrek, inclusief onder de stad Amsterdam.
4. Waarschuwing: Hoewel het document afbreekt, is de strekking duidelijk: de aanleg van nieuwe "Zuidelyke polders" (onderdeel van de Zuiderzeewerken) zal effect hebben op de ondergrondse waterhuishouding van de hoofdstad en moet daarom nauwgezet bestudeerd worden om schade aan de bebouwing te voorkomen.


Historische Context

Dit document stamt uit de periode dat de plannen voor de Zuiderzeewerken (gebaseerd op het Plan-Lely) concreet werden uitgevoerd. Amsterdam maakte zich grote zorgen over de gevolgen van het inpolderen van de Zuiderzee (met name de Markerwaard en Flevoland, hier aangeduid als de Zuidelyke polders) voor de eigen waterhuishouding.

De Gemeentelyke Zuiderzeecommissie had als taak de belangen van de stad te behartigen bij de uitvoering van deze nationale projecten. Het document illustreert de vroege wetenschappelijke benadering van hydrologie en bodemmechanica in Nederland, waarbij men zich realiseerde dat ingrepen kilometers verderop directe gevolgen konden hebben voor de kwetsbare houten funderingen van de historische Amsterdamse binnenstad.

Genoemde Personen 1

Producten

A.G.F. (Aardappelen): Aardappel A.G.F. (Aardappelen): Klei A.G.F. (Aardappelen): Zand A.G.F. (Fruit): Appel A.G.F. (Fruit): Fruit A.G.F. (Groenten): Groente A.G.F. (Groenten): Sla Huishoudelijk: Pan Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Paling Vis & Zee: Vis Vleeswaren: Hart Vleeswaren: Vlees Zuivel & Eieren: Eieren Zuivel & Eieren: Room Zuivel & Eieren: Zuivel

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Kooplieden in dit dossier 34

Amstelmeer met Amstelmeerkanaal en Waard- en Groetkanaal
Andere hakvruchten 375000 "
Andere handels- gewassen$^2$) 9375 "
Dorpskernen en industrieterreinen
Erven van gebouwen en lustplaatsen 2,2
Boonen 87500 "
Boonen 87500 "
Groenvoeder- Gewassen - $^3)$
Kanalen, vaarten en tochten
J. Zand ( 1,3)
A. Geboorte ( 1,3)
J. Zand (16,6)
A. Geboorte (16,6)
Lichte zavel
Lichte zavel (20,8)
A. Geboorte (20,8)
N.O.polder 47600
Onbelastbare eigendommen 3,3
B. Overige 3169
B. Overige 96250 "
B. Overige 43750 "
Overige handels- gewassen 1751$^4)$
Overige knol-, Wortel- en bolgewassen 50700
Rietland, kwelders, moeras 0,1
Wieringermeerdijk en Amstelmeerdijk
Z.O.polder 93700
Alle 34 kooplieden →