Brief (handgeschreven)
Origineel
Brief (handgeschreven) 20 november 1941 M. Piller, Amstelkade 36-I, Amsterdam De Weledelgeboren Heer Directeur van het Marktwezen, Amsterdam Amsterdam, 20 November '41
Den Weled. Heer Dir. v. h. Marktwezen
Alhier,
[rechtsboven in potlood:] m. hulp
Weled. Heer,
Ondergetekende, M. Piller, Amstelkade 36$^I$ van U een vaste plaats gekregen hebbende in de Gaaspstraat, deelt U hierbij mede, dat hij momenteel geen handel weet te krijgen en daarom van de vaste plaats geen gebruik kan maken. Hij verzoekt U beleefd in aanmerking te mogen komen voor een voorkeursplaats.
In afwachting hiervan tekent hij, U bij voorbaat dankzeggend,
Hoogachtend,
M. Piller.
Amstelkade 36$^I$
A'dam
[Onderaan stempels en aantekeningen:]
№ 103 / 20/11 1941
[daarnaast geschreven:] 22/11 In deze brief verzoekt M. Piller de directeur van het Amsterdams Marktwezen om ontheffing van zijn vaste marktplaats in de Gaaspstraat. De reden die hij opgeeft is dat hij "momenteel geen handel weet te krijgen", wat betekent dat hij geen koopwaar kan inkopen of geen afzetmarkt heeft. In plaats van de vaste plek vraagt hij om een "voorkeursplaats", een status waarbij hij waarschijnlijk zijn rechten als marktkoopman behoudt zonder de dagelijkse verplichting (en kosten) van een vaste standplaats die hij op dat moment niet kan exploiteren.
Het handschrift is een verzorgd en formeel zakelijk handschrift uit die periode. De archiefstempels onderaan duiden op de administratieve verwerking door de gemeente (ingekomen op 20 november, verwerkt of beantwoord op 22 november). Dit document moet geplaatst worden in de context van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De datum, november 1941, is cruciaal. Vanaf september 1941 voerden de Duitse bezetters segregatie in op de Amsterdamse markten. Joodse kooplieden en bezoekers werden verbannen van de reguliere markten en gedwongen zich te verplaatsen naar specifieke "Joodse markten".
De markt in de Gaaspstraat (gelegen in de Rivierenbuurt) was een van deze aangewezen locaties. De afzender, M. Piller, was zeer waarschijnlijk een Joodse Amsterdammer die door de anti-Joodse maatregelen in grote economische moeilijkheden was gebracht. Het "geen handel weten te krijgen" was een direct gevolg van de uitsluiting van Joden uit het economische leven, de bemoeilijkte inkoop bij niet-Joodse groothandels en de algehele verarming van de Joodse bevolking in die periode. De brief is daarmee een getuigenis van de verstikkende werking van de bezettingsmaatregelen op het dagelijks levensonderhoud van individuele burgers.