Brief (pagina 2 en 3).
Origineel
Brief (pagina 2 en 3). Ongegedateerd (waarschijnlijk circa 1930-1935). [Pagina 2]
toen is mij de gelegenheid geboden
van af de Rijksdienst ter uit-
voering Zuiderzeesteunwet
Rokin 149 Amsterdam, dat ik
kon dan afvloeien als vischventer
om in aanmerking te komen
voor de Zuiderzeesteun, die
steun is 12 gulden voor man
en vrouw, en 1 gulden voor
elk kind beneden de leeftijd
van 14 jaar. W. Ed. Heer,
toen heb ik dat nood gedwongen
moeten aanvaarde, want
de Rijksdienst, die heeft mijn
toen geschreven, dat er werd
aangenomen dat ik het visch
vente had gestaakt, en dat ik
niet meer kon vente al was het
maar voor één enkele dag
W. Ed. Heer, ik heb dat toen
aanvaard, zoo als ik u schrijf
met een bloedend hart, dat
ik zoo mijn Marktplaats
moest prijs geven, maar de
[Pagina 3]
omstandighede vorm de mensch
ik leed met mijn vrouw en
kinderen de grootste armoede
en toen later kreeg ik mijn
Zuiderzeesteun dat was
19 gulden per week. ik heb 6
kinderen benede de 14 jarige
leeftijd en 1 gulden word er
verstrekt voor een huurhuis
word te zamen 19 gulden, ik
betaal f 2,50 per week. blijft
over f 16,50. daar moet ik van
leven met man en vrouw en
7 kinderen. ik heb een kind
die is boven de 14 jarige leeftijd
het is wel niet veel voor zoon
groot gezin, maar wij zijn
tog van de grootste armoede
gevrijwaard, maar ik kan er
met vrouw en kinderen lang niet
van komen, van die Zuiderzee
steun, die steun is te krap
gesteld, 12 gulden voor man en
vrouw, dat gaat wel, maar In deze brief doet een voormalige visverkoper uit de doeken hoe hij gedwongen werd zijn zelfstandige beroep op te geven om aanspraak te kunnen maken op de Zuiderzeesteun. De Rijksdienst stelde als harde eis dat hij volledig stopte met venten; zelfs één dag per week bijverdienen was niet toegestaan.
De schrijver geeft een gedetailleerd overzicht van zijn wekelijkse budget:
* Basissteun (echtpaar): 12 gulden.
* Kindertoeslag: 1 gulden per kind onder de 14 jaar (6 kinderen = 6 gulden).
* Huurtoeslag: 1 gulden.
* Totaal inkomen: 19 gulden per week.
* Vaste lasten: 2,50 gulden huur.
* Resterend: 16,50 gulden voor voeding en kleding voor 9 personen (hij heeft in totaal 7 kinderen, waarvan één ouder dan 14 die geen vergoeding ontvangt).
De toon van de brief is deemoedig maar dwingend ("met een bloedend hart"). Hoewel hij erkent dat de steun hem behoedt voor de allerergste honger ("gevrijwaard van de grootste armoede"), stelt hij onomwonden dat het bedrag "te krap gesteld" is om een groot gezin fatsoenlijk te onderhouden. De Zuiderzeesteunwet (1925) was bedoeld om vissers en aanverwante beroepen (zoals visventers en nettenboeters) schadeloos te stellen voor het verlies aan inkomsten door de afsluiting van de Zuiderzee en de aanleg van de Afsluitdijk.
De wet werd uitgevoerd door een speciale Rijksdienst gevestigd aan het Rokin in Amsterdam. In de praktijk bleek de uitvoering vaak bureaucratisch en streng. Ontvangers moesten hun eigen bedrijfsvoering volledig staken, wat voor veel zelfstandigen een groot psychologisch offer was. De brief illustreert de bittere armoede tijdens de crisisjaren '30, waarbij grote gezinnen moesten rondkomen van een bedrag dat nauwelijks boven het bestaansminimum lag. De spelling van de schrijver ("zoon" voor "zo'n", "tog" voor "toch") duidt op een beperkte formele scholing, maar zijn berekeningen zijn zeer accuraat, wat de ernst van zijn financiële situatie onderstreept.