Handgeschreven brief (bladzijde 5).
Origineel
Handgeschreven brief (bladzijde 5). Vermeldt gebeurtenissen uit september 1938 en januari 1939. 5
om dan zoo ze verdere leven met
dat onzalig niets doen ze tijd moete
zoek brenge mijnheer dat vond
ik verschrikkelijk, vermis ik mijn
heele ^leven altijd hard hebt gewerkt.
W.E.D. Heer zoo ik u boven
omschreven vermeld kon de
Rijksdienst er geen beslising over
nemen, om op die voorwaarde
weer met het vishventen te
mogen beginne, toen heb ik
een audiëntie aangevraagt
bij zijn E. Cellentie de Minnister
van Waterstaat. die audiëntie
is mijn toegestaan op 15 September
1938. ik heb toen bij de Minnister
op zijn Departement mijn
toestand aan de Minnister
uiteengezet. presies zoo als ik
het u schrijf. en toen heb ik op
19 Januari 1939 een schrijven
van zijn E. Cellentie. terug ont
vangen dat ik mag het vishventen
weer ter hand nemen, meteen De tekst is geschreven in een duidelijk leesbaar, maar karakteristiek handschrift uit de eerste helft van de 20e eeuw. De auteur gebruikt een persoonlijke spelling die afwijkt van de standaard (bijv. "beslising", "Minnister", "E. Cellentie", "vishventen").
De kern van het relaas op deze pagina is de morele bezwaren van de schrijver tegen ledigheid ("onzalig niets doen") en de bureaucratische weg die bewandeld is om weer aan het werk te mogen. De schrijver is persoonlijk op audiëntie geweest bij de Minister van Waterstaat om zijn situatie te bepleiten, nadat een lagere Rijksdienst geen beslissing kon of wilde nemen. Op 19 januari 1939 ontving de schrijver uiteindelijk de officiële toestemming om het beroep van visventer weer op te pakken. Het document dateert uit de late jaren '30, een periode van economische broosheid in Nederland vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In deze tijd was ambulante handel (zoals visventen) strikt gereguleerd en vaak gebonden aan vergunningen die moeilijk te verkrijgen of te behouden waren. Dat een individuele burger een audiëntie kreeg bij de Minister van Waterstaat (destijds ook verantwoordelijk voor bepaalde economische en infrastructurele aspecten) duidt op een vasthoudendheid die typerend was voor mensen die buiten de boot dreigden te vallen door regelgeving. De brief lijkt een verslag of een onderdeel van een smeekbede aan een andere autoriteit ("W.E.D. Heer" - Weledelgeboren Heer) om de voortgang van de zaak toe te lichten.