Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie.
Origineel
Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie. 11 mei 1942. De Directeur van de Centrale Markt (waarschijnlijk Amsterdam). 77/36/7 m.
n 2
HG.
[handgeschreven: verzonden]
[handgeschreven: W. Booms]
11 Mei 1942.
Straf D.G. Koppenol
Centrale Markt.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
In bijlage dezes heb ik de eer U afschriften te doen toekomen van door den contrôleurs D. Schiermeier en B. Felthuis van mijn dienst opgemaakte rapporten, respectievelijk d.d. 17 April en 7 Mei jl., waaruit blijkt, dat D.G. Koppenol, wien als kooper toegang tot de Centrale Markt is verleend, een toegangskaart ten name van het lid P. Wallaart van zijn personeel, heeft vervalscht, zoodat G. Hofstee op die kaart gedurende ongeveer 4 weken onrechtmatig toegang tot de Centrale Markt heeft verkregen.
Koppenol voornoemd is dezerzijds, ingevolge het bepaalde in artikel 35 lid 1 van het Reglement op de Centrale Markt, gestraft met ontneming van het recht van toegang tot die markt voor den tijd van veertien dagen, namelijk van 11 tot en met 24 Mei 1942.
Ik ben van meening, dat Koppenol voor langeren tijd van de Centrale Markt moet worden geweerd en ik geef U mitsdien beleefd in overweging wel te willen bevorderen, dat Koppenol in aansluiting op mijn straf, overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van bovenaangehaald artikel, door den Burgemeester van Amsterdam wordt gestraft met ontneming van het recht van toegang voor onbepaalden tijd, zulks met ingang van 25 Mei a.s.
Koppenol voornoemd heeft zich tevoren nimmer aan eenig strafbaar feit op de Centrale Markt schuldig gemaakt.
De Directeur, Deze brief betreft een tuchtrechtelijke kwestie op de Centrale Markt in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van de zaak is identiteitsfraude: D.G. Koppenol, een erkende koper op de markt, heeft een toegangspas die op naam stond van zijn medewerker (P. Wallaart) vervalst. Hierdoor kon een derde persoon, G. Hofstee, vier weken lang illegaal de markt betreden.
De Directeur van de markt heeft zelf reeds de lichte straf opgelegd (14 dagen ontzegging), maar adviseert de Wethouder om bij de Burgemeester aan te dringen op een zwaardere sanctie: ontzegging voor onbepaalde tijd. Opvallend is dat de Directeur expliciet vermeldt dat Koppenol een "first offender" is op de markt, maar desondanks een zeer zware straf bepleit. Dit wijst op een streng handhavingsbeleid in een tijd waarin de controle op voedselstromen van cruciaal belang was. De datum, 11 mei 1942, plaatst dit document midden in de Duitse bezetting van Nederland. De Centrale Markt van Amsterdam was in deze periode het hart van de voedselvoorziening voor de stad. Vanwege de toenemende schaarste en de invoering van het distributiestelsel was de toegang tot de markt streng gereguleerd met persoonsgebonden kaarten.
Fraude met toegangsbewijzen werd door de autoriteiten zeer hoog opgenomen, omdat dit de controle op de zwarte handel en de officiële voedseldistributie ondermijnde. De genoemde "Wethouder voor de Levensmiddelen" en de Burgemeester (destijds de door de bezetter benoemde Edward Voûte) speelden een centrale rol in de handhaving van deze orde. De brief illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie zelfs onder bezettingstijd strikt bleef toezien op de reglementen van openbare instellingen.