Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en handtekening.
Origineel
Getypte brief met handgeschreven kanttekeningen en handtekening. 4 maart 1943. p/o Firma Casper Bakker, Van Woustraat 142, Amsterdam. Den Heer Inspecteur van het Centrale Marktwezen, Jan van Galenstraat 14 of 17, Amsterdam (ALHIER). [Briefhoofd]
FIRMA CASPER BAKKER
Van Woustraat 142 – Telefoon No.
AMSTERDAM
Bankier: Nederlandsche Middenstandsbank Amsterdam
[Rechtsboven]
Amsterdam, 4 Maart 1943.
[Linksboven, gestempeld/geschreven]
No. 21/8/1 M. 1943 5/3
[Adressering]
Den Heer Inspecteur van het
Centrale Marktwezen
Jan van Galenstraat 14 of 17
A L H I E R .-
[Handgeschreven aantekeningen boven de aanhef, deels onleesbaar]
Reponijn (?)
[Diverse parafen en cijfers in potlood en kleurpotlood, o.a. "21"]
[Tekst]
Mijnheer,
Een mijner pakhuizen is gelegen aan Rapenburg 10 bij het 's-Gravenhekje, de achterzijde van de Oude Schans. Ik ben houthandelaar en vatenhandelaar, wel te verstaan geen brandhouthandelaar. Dit verkocht ik nog nooit. Dato 18 Februari j.l. ontving ik onverwacht 2 schuiten met Eikenhout voor de wal, waaruit bestek gezaagd moet worden en welke ik niet direct kon lossen en dus achter mijn pakhuis liet vastleggen, zooals meermalen geschied.
Des namiddags verscheen bij mijn bedrijfsleider een ambtenaar met een politiepenning en eischte f 1.60 tegen quitantie, op grond, dat mijn schuiten op de brandstoffenmarkt lagen.
Mijn bedrijfsleider, bevreesd voor onaangenaamheden, betaalde en rapporteerde mij dit.
Ik berustte, omdat ik voor een kleinigheid geen tijd had, ertegen te protesteeren.
Dinsdag 23 Februari verscheen deze ambtenaar aan mijn kantoor Van Woustraat 142 en eischte opnieuw f 1.60 tegen quitantie. Tijdens mijn afwezigheid betaalde mijn vrouw en ik berustte opnieuw voor dezelfde reden.
Thans 1 Maart j.l. dus 11 dagen na het ter plaatse liggen der schuiten, verscheen deze ambtenaar weder aan mijn kantoor en eischte opnieuw f 1.60. Toen trof ik hem zelf, doch ik weigerde de betaling en ben thans zoo vrij te protesteeren, tegen deze volgens mij, geheel onverschuldigd zijnde bedragen.
Indien ik mijn partijen hout of andere goederen, welke ik ontving niet kan laten liggen naar mijn believen, zonder deze hinderlijke inmenging, dan zou ik dit pakhuis moeten opgeven, als zijnde niet geschikt voor mijn expeditie. Ik acht hiervoor niets verschuldigd. Ik doe niet in brandstoffen en maak geen gebruik van Uw markt. Heden, 4 Maart, dus juist 14 dagen later worden de schuiten gelost.
Ik verzoek dus nogmaals ontslagen te worden van dergelijke inmenging en terugbetaling der reeds betaalde 2 x f 1.60 = f 3.20.
Afwachtend,
Hoogachtend,
p/o Firma Casper Bakker
[Handgeschreven handtekening, onleesbaar]
[Handgeschreven in de linker marge]
Maar ik meen in deze ook juist gehandeld hebben waarbij deze gelden m.i. juist [D in een cirkel]
[Handgeschreven rechtsonder]
restitutie aanvraag gemaakt
[Paraaf]
21
--- De brief is een formeel bezwaarschrift van de firma Casper Bakker gericht aan de Inspecteur van het Centrale Marktwezen in Amsterdam. De kern van de klacht is dat er onterecht marktgelden worden geïnd voor twee schuiten met eikenhout die achter het pakhuis aan de Rapenburg 10 liggen afgemeerd.
De afzender voert de volgende argumenten aan:
1. Bedrijfsactiviteit: Hij benadrukt dat hij houthandelaar is en géén brandhouthandelaar. Hij maakt dus geen gebruik van de specifiek aangewezen 'brandstoffenmarkt'.
2. Locatie: Het hout ligt achter zijn eigen pakhuis, een plek die hij naar eigen zeggen vaker gebruikt voor tijdelijke overslag zonder dat daarvoor betaald hoefde te worden.
3. Onterechte inning: Hij beschrijft hoe een ambtenaar tot tweemaal toe f 1.60 heeft geïnd bij respectievelijk zijn bedrijfsleider en zijn vrouw, die uit angst voor "onaangenaamheden" betaalden.
4. Protest: Bij de derde poging tot inning op 1 maart weigert de eigenaar zelf te betalen en eist nu restitutie van de eerder betaalde f 3.20.
De toon van de brief is zakelijk maar beslist. De eigenaar dreigt zelfs met het opgeven van het pakhuis als deze "hinderlijke inmenging" blijft voortduren.
--- De brief dateert van 4 maart 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Deze context is cruciaal voor het begrijpen van de bewoordingen:
- Bezettingstijd: De opmerking dat de bedrijfsleider "bevreesd voor onaangenaamheden" de eerste keer betaalde, is veelzeggend voor de gespannen sfeer en de angst voor autoriteiten (vooral ambtenaren met een "politiepenning") tijdens de oorlogsjaren.
- Centrale Marktwezen: De Jan van Galenstraat was (en is) de locatie van de Amsterdamse Centrale Markthallen. Tijdens de oorlog bleven gemeentelijke instanties functioneren, vaak onder strenger regime en met nieuwe verordeningen om inkomsten te genereren of de distributie te controleren.
- Brandstoffen: In 1943 was er door de oorlogssituatie een groot tekort aan brandstoffen. Dit verklaart waarschijnlijk waarom de inspectie zo scherp toezag op de "brandstoffenmarkt" en waarom de afzender zo expliciet benadrukt dat hij géén brandhouthandelaar is (zijn hout is bestemd voor "bestek", oftewel constructie- of meubelhout).
- Marginale aantekeningen: De handgeschreven opmerkingen op de brief wijzen op de interne afhandeling bij de gemeente. De opmerking "restitutie aanvraag gemaakt" suggereert dat het protest van de firma Bakker succesvol was of in ieder geval serieus in behandeling is genomen.