Handgeschreven conceptverslag (met doorstrepingen en toevoegingen).
Origineel
Handgeschreven conceptverslag (met doorstrepingen en toevoegingen). Mei 1943 (verwijst naar gebeurtenissen op 12, 14 en 31 mei 1943). Noot: In de transcriptie is de originele spelling en interpunctie aangehouden. Doorgestreepte woorden zijn weggelaten, boven de regel geschreven woorden zijn ingevoegd op de bedoelde plek.
Concept 2 X
Naar aanleiding van bijgaande mondelinge klacht van de dames Kraaybeukel op 12 Mei 1943 bij den directeur hebben de ondergetekenden, de directeur C.F. Sixma, de gem. adm. F. v. Menis en de ambtenaren van het Marktwezen Sickingh, de Heer en Van Duinhoven op 14 Mei jl. den marktambtenaar De Wolff gehoord, waarvan onderstaand verslag wordt overgelegd.
I
Op 31 Mei jl. hebben wij De Wolff (i.v.m. bovengenoemden) gehoord waarvan het volgende verslag is gemaakt.
De Wolff ontkent pertinent, dat hij van "vreten" zou hebben gesproken. Deze term gebruikt zou hij principieel nooit gebruiken. Wel is het mogelijk, dat hij zich in dien geest tegen het publiek heeft uitgelaten, met dien verstande, dat hij dan v. eten heeft gesproken. Het publiek is zeer lastig en uit allerlei veronderstellingen waarop De Wolff dan steeds met een snauw antwoordt; dat ligt nu eenmaal in zijn karakter.
Op onze vraag of er werkelijk in het geheel geen keus bij den vischverkoop wordt gelaten, antwoordt De Wolff beslist ontkennend. Slechts wordt degenen, die de groote, dus dure, visch niet kunnen betalen, toegestaan om de kleinere te nemen, wanneer ze aan de beurt zijn. Iets anders heeft hij nooit toegestaan.
De Wolff handhaaft zijn gezegde, dat hij niemand tot de vischloodsen toelaat, ook die daar niet behoorde te zijn, ook geen agenten. Hij wijst er evenwel op, dat hij in de 2 loodsen niet steeds alles kan overzien. Hij deelt verder mede, dat gedurende den verkoop van de marktkooplieden ook de verkoop van de halhouders Fleysman en Visser aan hun vaste klanten veelal doorging. Hiertegen heeft hij, i.v.m. de orde, meermalen bezwaar gemaakt, doch hij kon het niet steeds voorkomen, omdat Fleysman en V. vaak s'middags weer aan de markt moesten zijn om bijv. mosselen te laden. Zij moesten dan wel tegelijk met de in hun loods verkoopen kooplieden uitverkoopen. Natuurlijk reageerde het publiek steeds scherp wanneer de klanten v. Fl. en V. (door dezen) de loodsen werden ingeroepen; De Wolff wees er dan steeds op, dat het hier een verkoop van halhouders aan hun vaste klanten betrof. Vanzelfsprekend geloofde het publiek dit niet! Het document is een ambtelijk verslag van een intern onderzoek naar het functioneren van marktambtenaar De Wolff. De kern van de zaak is een klacht over onbehoorlijk gedrag (gebruik van het woord "vreten" in plaats van "eten") en vermeende voortrekkerij of wanorde bij de visverkoop.
De Wolff verdedigt zich op drie punten:
1. Bejegening: Hij ontkent het gebruik van grove taal ("vreten"), maar geeft toe dat zijn karakter en de lastige houding van het publiek leiden tot een "snauwende" manier van communiceren.
2. Verkoopproces: Hij ontkent dat er willekeur is in de keuze van vis; afwijkingen van de standaardprocedure worden alleen toegestaan op basis van de betaalkracht van de klant.
3. Toegang en voorrang: Hij erkent dat er onvrede is bij het publiek omdat "vaste klanten" van bepaalde halhouders (Fleysman en Visser) schijnbaar voorrang krijgen of de loodsen mogen betreden. Hij schuift de verantwoordelijkheid hiervoor deels af op de logistieke noodzaak van deze handelaren om snel te laden. Dit document stamt uit mei 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was er sprake van toenemende schaarste en distributie van voedsel, waaronder vis. Markten waren brandpunten van sociale spanning; de bevolking stond vaak uren in de rij voor schaarse goederen, wat leidde tot irritatie over en weer tussen het publiek en de toezichthouders.
Het onderscheid tussen "eten" en "vreten" was in die tijd een gevoelige kwestie van fatsoen; het publiek "vreten" verwijten was een ernstige belediging. De beschreven situatie in de visloodsen illustreert de dagelijkse strijd om voedsel en de achterdocht van de burgerij jegens ambtenaren en handelaren, die verdacht werden van vriendjespolitiek of illegale handel (zwarte markt), wat de laatste zin ("Vanzelfsprekend geloofde het publiek dit niet!") treffend onderstreept.