Archief 745
Inventaris 745-280
Pagina 272
Dossier 106
Jaar 1939
Stadsarchief

Ambtelijke correspondentie/rapportage.

22 augustus 1939.

Origineel

Ambtelijke correspondentie/rapportage. 22 augustus 1939. van verzet onder de venders neemt steeds groote vor-
men aan. Door mij ons moeten begeven op het terrein van
de politie wordt onze taak, vooral op Zaterdag overbe-
last en kunnen wij de werkzaamheden en moeilijkheden
niet meer het hoofd bieden en is ten slotte uitbreiding
van personeel noodzakelijk.
Het stemt dan ook bitter dat een gepensioneerd politie-
man, G. Lorman, blijkens schrijven No 27/601, ondanks
vorenstaande, de ambtenaar Th. Marktwezen kwali-
ficeert als gemakzuchtig, die om de ein of andere reden
niet streng genoeg optreedt, en bovendien een verdachtma-
king uitspreekt. Het is ons juist een raadsel waarom de
agenten, waarmede Lorman wel eens staat te praten,
de overtredingen, die meer in ’t bijzonder aan de politie zijn
opgedragen oogluikend toelaat. Het toestaan der ver-
koop na het eindigen der markt en het na markttijd
laten staan der kooplieden die geen overnachtvergunning
hebben, is een groote nalatigheid van de politie.
Ik verzoek den Hoofdcommissaris met een en ander
in kennis te stellen, ook met het schrijven van
Lorman, en aan te dringen een nauwgezet onder-
zoek in te stellen. Het schrijven van Lorman is een
beleediging voor de ambtenaar, en werpt een smet
op onzen Dienst.

Amsterdam 22 Augustus ’39
[Ondertekening, mogelijk: Krij]

(Kantlijnnotitie links onder):
Opbergt
29-8-39
dellaer [?] In dit document beklaagt een functionaris van de Amsterdamse marktdienst zich over de toenemende weerstand van marktkooplieden ("venders") en de daarmee gepaard gaande werkdruk, met name op zaterdagen. De schrijver stelt dat zijn personeel taken moet uitvoeren die eigenlijk tot het domein van de politie behoren, wat leidt tot een roep om personeelsuitbreiding.

De kern van de brief is echter een reactie op een formele klacht van een gepensioneerde politieman, G. Lorman. Lorman heeft een ambtenaar van het Marktwezen (aangeduid als "Th.") beticht van gemakzucht en gesuggereerd dat er dubieuze redenen zijn waarom deze niet streng optreedt. De schrijver van dit document verwerpt deze "verdachtmaking" en "beleediging" fel.

Interessant is de tegenaanval: de schrijver suggereert dat juist de actieve politieagenten (met wie Lorman contact onderhoudt) verzaken door overtredingen "oogluikend" toe te staan, zoals verkoop na markttijd en het illegaal laten staan van karren. De brief eindigt met een verzoek aan de Hoofdcommissaris om een onderzoek in te stellen naar de aantijgingen van Lorman, die als een "smet op de Dienst" worden ervaren. Het document is gedateerd 22 augustus 1939, slechts enkele dagen voor de Duitse inval in Polen en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode van grote internationale spanning en economische onzekerheid waren de markten in Amsterdam vitale maar vaak ook onrustige plekken.

De brief illustreert de bureaucratische spanningen en competentiegeschillen tussen verschillende gemeentelijke instanties (de Politie versus het Marktwezen) in Amsterdam. Het toont aan hoe gevoelig men was voor reputatieschade en hoe nauwgezet ambtelijke rangen en eer werden bewaakt. De term "venders" (verkopers/marktkooplieden) en de klachten over handhaving wijzen op een gespannen verhouding tussen de overheid en de kleine handelaren in de stad vlak voor de oorlogsjaren.

Samenvatting

In dit document beklaagt een functionaris van de Amsterdamse marktdienst zich over de toenemende weerstand van marktkooplieden ("venders") en de daarmee gepaard gaande werkdruk, met name op zaterdagen. De schrijver stelt dat zijn personeel taken moet uitvoeren die eigenlijk tot het domein van de politie behoren, wat leidt tot een roep om personeelsuitbreiding.

De kern van de brief is echter een reactie op een formele klacht van een gepensioneerde politieman, G. Lorman. Lorman heeft een ambtenaar van het Marktwezen (aangeduid als "Th.") beticht van gemakzucht en gesuggereerd dat er dubieuze redenen zijn waarom deze niet streng optreedt. De schrijver van dit document verwerpt deze "verdachtmaking" en "beleediging" fel.

Interessant is de tegenaanval: de schrijver suggereert dat juist de actieve politieagenten (met wie Lorman contact onderhoudt) verzaken door overtredingen "oogluikend" toe te staan, zoals verkoop na markttijd en het illegaal laten staan van karren. De brief eindigt met een verzoek aan de Hoofdcommissaris om een onderzoek in te stellen naar de aantijgingen van Lorman, die als een "smet op de Dienst" worden ervaren.

Historische Context

Het document is gedateerd 22 augustus 1939, slechts enkele dagen voor de Duitse inval in Polen en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode van grote internationale spanning en economische onzekerheid waren de markten in Amsterdam vitale maar vaak ook onrustige plekken.

De brief illustreert de bureaucratische spanningen en competentiegeschillen tussen verschillende gemeentelijke instanties (de Politie versus het Marktwezen) in Amsterdam. Het toont aan hoe gevoelig men was voor reputatieschade en hoe nauwgezet ambtelijke rangen en eer werden bewaakt. De term "venders" (verkopers/marktkooplieden) en de klachten over handhaving wijzen op een gespannen verhouding tussen de overheid en de kleine handelaren in de stad vlak voor de oorlogsjaren.

Locaties

Amsterdam.