Archiefdocument
Origineel
30 december 1942. A.J. van Rijsbergen, Vondellaan 51, Driehuis. Directeur van de Gemeentelijke Vischafslag, Amsterdam. [Getypte tekst]
A.J. van Rijsbergen.
Vondellaan 51.
DRIEHUIS.
R 2550 - 5720
No. 46 6/1/1 M. 1943 7/7 [stempel/aantekening]
Driehuis, den 30. December 1942.
Aan den Heer Directeur van de
Gemeentelijke Vischafslag.
AMSTERDAM.
==========
Mijnheer,
Als bewindvoerder van de Amsterdamsche Visch-Centrale (E. Peper), Rijnstraat 187 te Amsterdam verzoek ik U beleefd aan mijn genoemde firma weer haar toewijzing te willen verstrekken.
Deze firma staat immers onder arisch beheer en behoort niet meer aan den jood Peper. Dat deze momenteel nog in de zaak staat vindt zijn oorzaak hierin, dat nog geen geschikte filiaalhouder gevonden kon worden.
Gaarne verneem ik omgaand Uw beslissing in deze en teeken inmiddels,
Hoogachtend,
[Handtekening: A.J. van Rijsbergen]
P.S. De toewijzingen kunnen worden afgegeven aan den Heer J.A. Muller, Amstelveld 7, Amsterdam, die deze visch dan moet bezorgen in de Rijnstraat.
[Handgeschreven aantekeningen]
- Bovenzijde/rechts:
opb Dm.v. Dir.stukken N.v.c. bijvoegenTh. Gouda is bij Th. Schilbergh geweest en zegt laat maar rusten. Luen komt er nader op terug
- Linker marge:
is toch gebeurd in opdracht Comm. DahmenSchilbergh? of hoe - weet er niets van af. v.
- Onderzijde:
P volgens de Richtlijnen der W.P. Stelle moet Verwalter toestemming hebben een jood in dienst te houden.Wheellich 73 - GoudaKantoor 5592 IJmuidenIher Gouda - geen antwoordDit document illustreert het proces van de 'arisering': de gedwongen onteigening van Joodse bedrijven. Afzender Van Rijsbergen fungeert als 'bewindvoerder' (Verwalter), een door de bezetter aangestelde beheerder die de belangen van de oorspronkelijke Joodse eigenaar moest uitschakelen.
De toon van de brief is zakelijk en meedogenloos. Van Rijsbergen gebruikt het feit dat het bedrijf "niet meer aan den jood Peper" behoort als argument om weer handelsrechten (toewijzingen) te verkrijgen. Dat de oorspronkelijke eigenaar er nog werkt, wordt als een administratief probleem gepresenteerd dat zo snel mogelijk opgelost moet worden door een "arische" vervanger.
De kanttekeningen tonen de interne stroefheid van de bureaucratie. Er wordt verwezen naar de Wirtschaftsprüfstelle (W.P. Stelle), die toezag op dit proces. De vermelding van "Comm. Dahmen" (de Duitse Beauftragte voor Amsterdam) wijst erop dat er op hoog bestuurlijk niveau druk is uitgeoefend om de toewijzing te regelen, ondanks mogelijke onduidelijkheid bij lagere ambtenaren (zoals Schilbergh). Elias Peper was de Joodse eigenaar van de viswinkel aan de Rijnstraat 187. Hij werd, zoals zovelen, het slachtoffer van de economische beroving die voorafging aan de fysieke vernietiging. Terwijl deze brief over de winstgevendheid van zijn winkel werd geschreven, was de deportatie van de Joodse bevolking in Amsterdam al in volle gang. Elias Peper werd in 1943 gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Dit document is een kille getuige van hoe zijn levenswerk werd overgenomen door collaborateurs onder toezicht van de bezetter.