Brief / Verzoekschrift
Origineel
Brief / Verzoekschrift 3 mei 1943 L. S.
No. 466/175/1 M. 1943 S/r
3. – 5. – 1943.
HH. HH. Leden der Verdeelingscommissie.
Bij deze verzoek ik beleefd, om mijn toewijzing versche aal, welke momenteel 40 pond is, op 86 pond te brengen; en wel op de volgende gronden.
Ieder Uwer weet, dat mijn omzet versche zee-visch in de jaren, die U als basisjaren heeft gebruikt, ver boven die der meeste kooplieden lag.
Nu krijg ik net zooveel visch toegewezen, als dengenen, wier vroeger misschien geen 10e deel verkochten van mijn omzet, zooals b.v. oude vischvrouwtjes of kooplieden, die negen maanden van ’t jaar in het steun liepen. Ik misgun het deze menschen geenszins, maar er schuilt toch, van mijn standpunt bekeken, een groote onbillykheid in, dat ik precies zooveel visch toegewezen krijg als zij, terwijl [doorgehaald: X] ik toch veel meer verkocht! Nu motiveer ik mijn verzoek daarmede, dat al had ik niet elke dag aal te koop, toch wanneer ik aal te koop nam, meteen zoo’n 5 à 6 honderd pond wegbokste, want ik knoeide wel vaak met handel, maar verkocht daardoor toch groote kwantums en heb altijd goed mijn brood verdiend aan de vischhandel en heb nog nooit ook maar één gulden van Maatschappelijk Hulpbetoon getrokken! Verder motief is dit nog, dat de speciale aalkooplieden, welke vaak 120 of zelfs 200 pond aal In dit verzoekschrift protesteert een viskoopman tegen de hem toegewezen hoeveelheid aal tijdens de distributieperiode in de Tweede Wereldoorlog. De schrijver voert aan dat zijn huidige quotum (40 pond) niet in verhouding staat tot zijn historische omzet in de "basisjaren".
De kern van zijn betoog is een beroep op billijkheid en economische status:
1. Historisch recht: Hij stelt dat hij vroeger een veel grotere omzet had dan zijn collega's.
2. Vergelijking met "steuntrekkers": Hij vindt het onrechtvaardig dat hij hetzelfde krijgt als kleine handelaren of mensen die voorheen van de staatssteun leefden.
3. Zelfredzaamheid: Hij benadrukt dat hij altijd zijn eigen brood heeft verdiend en nooit gebruik heeft gemaakt van het "Maatschappelijk Hulpbetoon" (de toenmalige sociale bijstand).
4. Handelsgeest: Hij geeft toe dat hij "knoeide met handel" (waarschijnlijk doelend op een opportunistische of zeer actieve handelswijze), maar dat dit juist leidde tot de verkoop van grote kwantums. Het document dateert van mei 1943, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Tijdens deze periode was er sprake van een strikt distributiesysteem voor schaarse goederen, waaronder vis. De "Verdeelingscommissie" was verantwoordelijk voor het toewijzen van quota aan handelaren.
De tekst biedt een inkijkje in de sociale spanningen die de rantsoenering met zich meebracht. Enerzijds was er de bureaucratische poging om goederen gelijkmatig te verdelen (egalitarisme), anderzijds was er de weerstand van gevestigde ondernemers die vonden dat hun eerdere succes en economische zelfstandigheid hen recht gaf op een groter aandeel. De verwijzing naar het "Maatschappelijk Hulpbetoon" en de "steun" illustreert de diepe maatschappelijke kloof tussen de zelfstandige middenstand en de minderbedeelden in die tijd.