Ambtelijk schrijven / Dienstbrief (doorslag of origineel).
Origineel
Ambtelijk schrijven / Dienstbrief (doorslag of origineel). 30 Juni 1943. vD/HB.
46b/217/21.
30 Juni 1943.
Vischregeling:
Toewijzingen in verband
met krijgsgevangenschap
en arbeidsinzet.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede hebben de ondergeteekenden de eer U in bijlage dezes afschriften over te leggen van verzoeken betreffende het overschrijven van de vischtoewijzing van eenige winkeliers, die voor den arbeidsinzet zijn opgeroepen of in krijgsgevangenschap zijn weggevoerd.
Mede in verband met het gestelde in punt E van het concept-plan voor een klantenbinding voor visch, welk concept U met onzen brief d.d. 22 Juni jl. no.46a/230/ /LM. werd gezonden, hebben de ondergeteekenden de eer U het volgende te berichten.
Ten aanzien van de kleinhandelaren in visch, die, doordat zij voor werkzaamheden in het buitenland worden uitgezonden of door het terugvoeren in krijgsgevangenschap, niet langer hun toewijzing in ontvangst kunnen nemen om deze zelf te verkoopen, behoort ons inziens onderscheid te worden gemaakt tusschen de straathandelaren en de winkeliers. Beide categorieën kunnen den vischhandel niet meer uitoefenen, doch voor de eerstgenoemde groep zijn hieraan niet dezelfde bezwaren verbonden als voor de laatstgenoemden.
De straathandelaren nemen na hun terugkomst hun kar weder op en zijn dan op betrekkelijk eenvoudige wijze weder in staat om een nieuw bedrijf op te zetten.
Wanneer voor de winkeliers echter zou worden bepaald, dat de toewijzing bij hun vertrek zou worden ingetrokken, dan zou dit beteekenen, dat zij hun zaken zouden moeten sluiten. Bij hun terugkomst zal het evenwel niet zoo eenvoudig zijn om een nieuwe zaak op te zetten.
Het aanhouden van de zaak, door de huur en andere kosten dan te betalen, stuit op financieele bezwaren. Wanneer men voor den arbeidsinzet wordt uitgezonden, zullen de straathandelaren in staat kunnen zijn om hun gezin door de inkomsten uit hun arbeid op de been te houden; de winkeliers kunnen dit ook, doch zullen niet [tekst loopt onderaan de pagina af] In deze brief adviseren ambtenaren (waarschijnlijk van een gemeentelijke dienst voor de voedselvoorziening) de Wethouder voor de Levensmiddelen over het beleid rondom visquota (toewijzingen) voor vishandelaren die door de Duitse bezetter zijn opgeroepen.
De kern van het betoog is dat er een sociaal-economisch onderscheid moet worden gemaakt tussen straathandelaren en winkeliers:
* Straathandelaren kunnen hun bedrijf bij terugkomst makkelijk herstarten met hun kar. De inkomsten uit hun gedwongen arbeid in het buitenland worden geacht voldoende te zijn om hun gezin te onderhouden.
* Winkeliers hebben te maken met vaste lasten zoals huur. Als hun toewijzing (het recht om vis in te kopen) wordt ingetrokken, moeten zij hun zaak sluiten. Dit maakt een herstart na de oorlog of na terugkeer uiterst moeilijk.
De auteurs pleiten er indirect voor om de toewijzingen voor winkeliers in stand te laten (of over te schrijven), zodat hun zaken kunnen blijven voortbestaan terwijl de eigenaar afwezig is. Dit document stamt uit een kritieke fase van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (juni 1943). Twee specifieke maatregelen van de Duitse bezetter vormen de aanleiding:
1. Arbeidsinzet: De verplichte tewerkstelling van Nederlandse mannen in de Duitse oorlogsindustrie werd in 1943 sterk uitgebreid.
2. Krijgsgevangenschap: In april 1943 werd bevolen dat voormalige Nederlandse militairen zich opnieuw moesten melden voor krijgsgevangenschap. Dit leidde tot de bekende April-meistakingen.
Omdat voedsel (waaronder vis) tijdens de bezetting op de bon was en de handel streng gereguleerd werd via toewijzingen, had het gedwongen vertrek van een handelaar direct gevolgen voor de lokale voedselvoorziening en het voortbestaan van kleine ondernemingen. De brief toont de bureaucratische werkelijkheid waarbij men probeerde de lokale economie binnen de knellende kaders van de bezetting te besturen.