Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 17 september 1943. H.K. Köhler, Javaplein 27, Amsterdam-Oost. A:dam 17 Sept. '43
Köhler
Mijne Heeren,
No. 46b/254/1 M. 1943 17/9
Hiermede is ondergeteekende zoo
vrij om U zijn verzoek, voor een toe-
wijzing verse vis, in herinnering te
brengen en hoopt dat U dit heden-
avond zult willen behandelen.
De verklaring van den Heer Vuer-
man, van wien ik mijn vis betrok,
alsmede de toewijzing van olie der
Ned: Zuivelcentrale, indertijd aan
visbakkers verstrekt, zijn aan di-
verse Comm: leden bekend doch
zijn indien gewenscht wederom
ter Uwer beschikking.
Hopende dat U een gunstige
beslissing zult willen nemen,
Teeken ik, bij voorbaat dankend,
Hoogachtend
H.K. Köhler
Javaplein 27
A:dam. O.
[Linksonder met potlood/andere hand geschreven:]
afwijzen
46b/254/2 * Doel van de brief: De heer Köhler herinnert de instantie aan zijn eerdere aanvraag voor een toewijzing van verse vis. Hij hoopt dat de zaak diezelfde avond nog behandeld wordt.
* Bewijslast: Hij verwijst naar eerdere documentatie: een verklaring van zijn voormalige leverancier (Heer Vuerman) en een eerdere toewijzing van bakolie via de Nederlandse Zuivelcentrale. Hij stelt dat de commissieleden hiervan op de hoogte zijn, maar biedt aan de stukken opnieuw te overleggen.
* Resultaat: Ondanks de beleefde toon en de verwijzing naar eerdere toewijzingen, is het document voorzien van de kille aantekening "afwijzen". De reden hiervoor wordt in dit specifieke document niet vermeld, maar kan liggen in de toenemende schaarste in 1943. Dit document is een direct overblijfsel van de bureaucratie tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In 1943 was het distributiestelsel (de rantsoenering) zeer streng. Voor ondernemers, zoals waarschijnlijk deze visbakker aan het Javaplein, was een officiële "toewijzing" van grondstoffen (vis en olie) cruciaal om te kunnen overleven.
De "Ned: Zuivelcentrale" (Nederlandsche Zuivelcentrale) speelde een centrale rol in de voedselvoorziening en distributie onder toezicht van de bezetter. Het feit dat de briefschrijver op het Javaplein in Amsterdam-Oost woonde, plaatst hem in een buurt die destijds zwaar getroffen werd door de wegvoering van Joodse medeburgers en de algemene verarming. De afwijzing van zijn verzoek betekende in de praktijk waarschijnlijk dat hij zijn nering niet kon voortzetten of op de zwarte markt aangewezen was.