Handgeschreven kantoornotitie / dossierkaart.
Origineel
Handgeschreven kantoornotitie / dossierkaart. 4 oktober 1913 (vermelde datum van opening winkel). [Bovenaan rechts:]
cat 41 winkel begonnen 4 Oct. '13
[Hoofdtekst:]
M. Braan
Ferd. Bolstraat 186
91323 (C. Braan & Co)
Aanvraag van fijne
zeevisch levering
Heeft betrokke Gebr. de Jong
IJmuiden. N.V.C. wil
een fijne zeevisch levering
indien de Jong hiervan hun
een verklaring geeft. De
Jong wil geen verklaring
geven omdat hij anders
gedwongen wordt
naar Amsterdam te zenden.
[Linksonder:]
Heeft fijne zeevisch
garnalen
zoetwater visch
(Volendammer zaak)
[Rechtsonder:]
~~Just.~~ [doorgehaald]
bespreken met
Dir.
[In de linkermarge, in rood potlood geschreven:]
Gebr de Jong leveren reeds aan Amsterdam
Zagen ook dezen vanger
niet te leveren. * Onderwerp: De notitie betreft een zakelijke kwestie rond de bevoorrading van een nieuwe viswinkel in Amsterdam. M. Braan (C. Braan & Co) wil "fijne zeevisch" (kwaliteitsvis) betrekken van de bekende vishandel Gebr. de Jong uit IJmuiden.
* Conflict: Er lijkt een bureaucreautische of concurrentie-technische hindernis te zijn. De "N.V.C." (mogelijk de Nederlandsche Vereeniging van Consumptie-inrichtingen of een soortgelijke handelsorganisatie) vereist een verklaring van Gebr. de Jong voordat de levering geaccordeerd wordt.
* Weigering: Gebr. de Jong weigert deze verklaring te geven. De reden die wordt opgegeven is dat zij vrezen anders gedwongen te worden (waarschijnlijk door contractuele afspraken of veilingregels) om breder aan Amsterdam te moeten zenden/leveren, wat zij blijkbaar willen vermijden.
* Bedrijfstype: De aantekening "Volendammer zaak" duidt erop dat de winkel een traditioneel assortiment voert (inclusief zoetwatervis en garnalen), ondanks de vestiging in de Amsterdamse Ferdinand Bolstraat (de Pijp).
* Actie: De notitie eindigt met de instructie om dit voor te leggen aan de Directeur ("bespreken met Dir."). Dit document biedt een inkijkje in de vishandel van het vroege 20e-eeuwse Amsterdam. De Ferdinand Bolstraat was destijds al een levendige winkelstraat. De relatie tussen de aanvoerhaven IJmuiden en de Amsterdamse detailhandel was cruciaal, maar werd blijkbaar gereguleerd door handelsverenigingen of onderlinge afspraken tussen groothandelaren. De vrees van Gebr. de Jong om "gedwongen te worden naar Amsterdam te zenden" suggereert een vorm van marktverdeling of angst voor het doorbreken van exclusiviteitsregels die destijds in de vishandel golden.