Pagina 2 van een officieel proces-verbaal van de Centrale Controledienst (C.C.D.).
Origineel
Pagina 2 van een officieel proces-verbaal van de Centrale Controledienst (C.C.D.). - 2 -
Verbalisant wenscht op te merken dat door den contro-
leur C.C.D. v.d. Zande, tegen K. de Groot te Monnikendam
proces-verbaal is opgemaakt inzake desbetreffende leveringen
te Amsterdam, anders dan aan den afslag.
Wegens het betrekken van gerookte of gestoomde wijting,
gerookte of gestoomde schar en pakjes scharfilet bestemd voor
de vischvoorziening van Amsterdam in de periode 23 October
1942 - 21 November 1942 rechtstreeks van den rooker K. de
Groot te Monnikendam, dus anders dan over den afslag, waar-
door C. Mink voormeld, als kleinhandelaar opgenomen in de
verdeeling aan den Gemeentelijken afslag een overtreding
heeft begaan van artikel 5 van het Tweede Uitvoeringsbesluit
van het Visscherijbesluit 1941, omdat gerookte of gestoomde
wijting, gerookte of gestoomde schar en scharfilet beschouwd
moet worden als zeevisch in den zin van artikel 2 van het
Tweede Uitvoeringsbesluit van het Visscherijbesluit 1941.
In verband met de door hem begane overtreding heb ik
C. Mink voormeld een proces-verbaal aangezegd. Verdachte,
die verklaarde te goeder trouw te hebben gehandeld, wenscht
schikking. Hij is georganiseerd bij de Nederlandsche Vis-
scherijcentrale en toegelaten tot de groep kleinhandelaren
onder No. 9267.
Dit proces-verbaal is door mij op ambtseed opgemaakt,
geteekend en gesloten te Amsterdam, den 15 December 1943.
De controleur Centrale Con-
troledienst,
[Handtekening]
Inkomen per week ± f.35,-. Dit proces-verbaal beschrijft een economisch delict tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Amsterdamse visdetailhandelaar C. Mink heeft in het najaar van 1942 vis (wijting en schar) direct gekocht van een rokerij in Monnikendam, in plaats van via de verplichte Gemeentelijke Visafslag.
Juridisch gezien draait de zaak om de definitie van "zeevis". De verdachte dacht wellicht dat bewerkte vis (gerookt of gestoomd) niet onder de strenge afslagplicht viel, maar de controleur stelt op basis van het Visscherijbesluit 1941 dat deze producten wel degelijk als zeevis aangemerkt moeten worden. Mink verklaart "te goeder trouw" te hebben gehandeld — een standaardverweer om een zware straf te ontlopen — en vraagt om een schikking (het betalen van een boete om rechtsvervolging te voorkomen). De vermelding van zijn wekelijkse inkomen (35 gulden) onderaan de pagina diende waarschijnlijk om de draagkracht voor de boete te bepalen. Tijdens de Duitse bezetting was de voedselvoorziening in Nederland strikt gereguleerd via een distributiesysteem om schaarste te beheersen en de export naar Duitsland veilig te stellen. De Centrale Controledienst (CCD) was de opsporingsinstantie die toezag op de naleving van deze economische wetgeving en trad hard op tegen de zogenaamde "zwarte handel".
Vis was een cruciaal onderdeel van het dieet naarmate vlees schaarser werd. Door vis "buiten de afslag om" te verhandelen, konden handelaren hogere prijzen vragen en de officiële rantsoenering omzeilen. Monnikendam was een historisch centrum voor visrokerijen; het transport van daar naar Amsterdam was een bekende route voor clandestiene handel, die door controleurs zoals v.d. Zande nauwlettend in de gaten werd gehouden.