Ambtelijke notitie / correspondentie.
Origineel
Ambtelijke notitie / correspondentie. 24 maart 1939. no 28/35/1 M 1939 21/3
Den Heer Inspecteur
vh Marktwezen
alhier.
Tegen inwilliging van het verzoek
van pth no 153 M de Beer, om gedurende
zijn behandeling in de polikliniek slechts
één maal per week uit te stallen bestaat
mij geen bezwaar.
A'dam 24-3-'39.
[Handtekening/Paraaf] Het document betreft een kort ambtelijk advies met betrekking tot een verzoek om dispensatie. De verzoeker is een zekere M. de Beer, aangeduid als "pth" (waarschijnlijk een afkorting voor pachthouder of plaatshouder) met nummer 153.
De Beer heeft verzocht om gedurende een medische behandelperiode in een polikliniek minder vaak op de markt te hoeven staan; hij wil zijn waren slechts één keer per week "uitstallen" in plaats van de reguliere verplichte dagen. De opsteller van dit briefje laat de Inspecteur weten dat er vanuit zijn of haar positie "geen bezwaar" is tegen het inwilligen van dit verzoek. Het handschrift is een vlot, zakelijk lopend schrift, typerend voor de vroege 20e-eeuwse administratie. Dit document stamt uit de periode net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het Marktwezen in Amsterdam hanteerde strikte regels voor aanwezigheid op de markt om de continuïteit en het pachtgeld te waarborgen. Voor afwijkingen van deze regels was toestemming nodig van de Inspecteur.
Interessant is de naam M. de Beer. Gezien de datum (1939) en de locatie Amsterdam, zou dit document deel kunnen uitmaken van een dossier over Joodse marktkooplieden. In die tijd werkten veel Joodse Amsterdammers op de diverse markten (zoals de Albert Cuyp of de markten in de Joodse buurt). Documenten als deze bieden een micro-historisch inkijkje in de dagelijkse beslommeringen en de interactie tussen de individuele burger en de gemeentelijke bureaucratie in een roerige tijd. M. de Beer Marktwezen