Brief (getypt met handgeschreven kanttekeningen).
Origineel
Brief (getypt met handgeschreven kanttekeningen). 5 november 1914. Onbekend (vermoedelijk een hoge ambtenaar of directeur van een gemeentelijke dienst). [Handgeschreven linksboven:]
Op uw verzoek terug
[Handgeschreven marge links:]
De Heer Wethouder
heeft mij op 12 dezer
medegedeeld, dat
aan de ambtenaren is
te kennen gegeven dat
hun taak bij de
reorganisatie van
het marktwezen nader
zal worden overwogen.
[Getypt:]
No 1944 Bel.
Amsterdam, 5 November 1914.
Onder terugzending van het by u ingediende verzoek van de ambtenaren by de gemeentebelastingen in algemeenen dienst, heb ik de eer hierby over te leggen hun aan my gericht schryven dd. 27 Februari 1914, alsmede de naar aanleiding van dat schryven ingewonnen berichten.
Uit die berichten blykt, dat het by de instelling van de door de genoemde ambtenaren uitgeoefend wordende betrekking de bedoeling is geweest hen o.m. werkzaamheden aan markten te doen verrichten.
De omstandigheid, dat sedert 1 Februari j.l. het beheer van het marktwezen niet meer aan den Directeur der gemeentebelastingen, doch aan den Directeur der Handelsinrichtingen is opgedragen, behoeft geen aanleiding te geven om de meergenoemde ambtenaren van de hun opgelegde taak met betrekking tot de markten te ontheffen, te minder waar de eerstgenoemde Directeur met het toezicht op de heffing van marktgelden is belast gebleven.
Ook de door de ambtenaren vermelde bezwaren hebben op my weinig indruk gemaakt. Ik zie niet in, dat het tydelyk waarnemen van de betrekking van marktopzichter - want dit schynt de voornaamste grief te zyn - en het dragen van een uniformpet als zoodanig, voor hen vernederend zou zyn.
Niettemin heb ik het verzoek niet geheel afgeslagen, doch heb ik op 29 Mei 1914 in overeenstemming met de in het bericht van den Directeur der Handelsinrichtingen aan-
[Onderaan handgeschreven:]
hetze[lfde] heeft Mr Claassen medegedeeld
dat met 1 Mei de mensen van den Bel[astingen] niet
meer zullen assisteren.
Het is niet noodig z.i. er nog naar te schrijven.
[Links onderaan:]
Den Heer Wethouder
voor de Financiën.
--- * Kern van het geschil: Ambtenaren van de Gemeentebelastingen Amsterdam maken bezwaar tegen hun inzet als marktopzichters. Hun grootste "grief" is dat zij een uniformpet moeten dragen, wat zij als "vernederend" ervaren. Dit wijst op een sterke standsbewustheid onder kantoorambtenaren in die tijd; het dragen van een uniform(pet) werd geassocieerd met lagere, uitvoerende rangen of dienaars.
* Bestuurlijke context: Er is sprake van een verschuiving in bevoegdheden. Het beheer van het marktwezen is overgegaan van de Directeur Gemeentebelastingen naar de Directeur der Handelsinrichtingen. De auteur van de brief stelt echter dat de ambtenaren nog steeds belast kunnen worden met het innen van marktgelden (onder toezicht van Belastingen), ongeacht de beheeroverdracht.
* Toon: De toon van de brief is formeel maar beslist afwijzend tegenover de "vernedering" die de ambtenaren claimen. De handgeschreven toevoeging onderaan suggereert een latere afspraak (mogelijk door een 'Mr Claassen') dat de assistentie van de belastingambtenaren per 1 mei zal stoppen, waarmee de kwestie waarschijnlijk werd afgedaan zonder verdere correspondentie.
--- * Tijdsgeest: In 1914 was de hiërarchie binnen het ambtenarenapparaat strikt. Het onderscheid tussen administratief personeel ("pen") en toezichthoudend personeel ("pet") was een gevoelige kwestie van sociale status.
* Amsterdamse herstructurering: De brief weerspiegelt de voortdurende specialisatie en reorganisatie van gemeentelijke diensten in Amsterdam aan het begin van de 20e eeuw, waarbij de markten een belangrijke bron van inkomsten (marktgelden) vormden.
* Eerste Wereldoorlog: Hoewel de datum (november 1914) samenvalt met het begin van de Eerste Wereldoorlog, lijkt dit document puur over lokale, interne administratieve zaken te gaan zonder directe verwijzing naar de mobilisatie of oorlogsomstandigheden.