Archief 745
Inventaris 745-434
Pagina 153
Dossier 2A
Jaar 1944
Stadsarchief

Officiële circulaire (brief) van de Rijksoverheid.

21 oktober 1918. Van: Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel (6de Afdeeling B).

Origineel

Officiële circulaire (brief) van de Rijksoverheid. 21 oktober 1918. Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel (6de Afdeeling B). MINISTERIE VAN LANDBOUW, NIJVERHEID EN HANDEL.

Nº. 12216.

6de AFDEELING B.
'S-GRAVENHAGE, 21 October 1918.

Betreffende opslag van aardappelen.

2 BIJLAGEN.

Ten vervolge op mijne circulaire van 30 September j.l., Nº. A 5934, Afd. Crisiszaken, Bureau Landbouw, heb ik de eer U eene nadere uiteenzetting te geven van de wijze, waarop ik mij de uitvoering van den opslag van aardappelen heb gedacht.

Allereerst zal door het gemeentebestuur moeten worden beslist of door particulieren, niet-verbouwers, welke eene geschikte bewaarplaats voor aardappelen bezitten, al of niet aardappelen mogen worden opgeslagen. Wordt de opslag vergund, dan moet worden bepaald of het geheele rantsoen voor het tijdvak van 15 November 1918 tot 1 Juli 1919, bedragende ten hoogste 130 K.G. per persoon boven één jaar mag worden opgeslagen, of slechts een gedeelte daarvan.

Hierbij moet in het bijzonder gelet worden op de hoeveelheid aardappelen, waarover de gemeente voor hen, die niet kunnen opslaan, beschikken kan. In plattelandsgemeenten in de bouwstreken, waar aardappelen in ruime mate worden verbouwd, zullen de meeste ingezetenen als eigen-verbouwers over aardappelen kunnen beschikken, terwijl aan particulieren, niet-verbouwers, mits onder behoorlijke contrôle en met inachtneming van de nader aangegeven regelen, zonder bezwaar kan worden toegestaan het geheele rantsoen aardappelen op te slaan. Voor die ingezetenen, welke door tusschenkomst van het gemeentelijk distributiebedrijf hunne winterprovisie wenschen te ontvangen, kan de gemeente zich door tusschenkomst van den Regeeringscommissaris voor de graanverzameling dit rantsoen van 130 K.G. verzekeren.

In de groote steden, waar de aardappelen van elders moeten worden aangevoerd, zal als regel slechts van opslag in gedeelten sprake kunnen zijn. Is b.v. per hoofd der bevolking boven één jaar 70 K.G. aangevoerd, dan zal slechts een opslag van 70 K.G., d.i. het rantsoen voor 17 1/2 week, kunnen worden toegestaan. Men is dan daarvan verzekerd, dat voor alle ingezetenen, niet-verbouwers, eenzelfde rantsoen aanwezig is: voor den een in eigen, voor den ander in de gemeentelijke opslagplaats. Waar zulks geen aanleiding tot bezwaren geeft, kan ook vergunning tot opslag van het geheele rantsoen door aankoop van verbouwers worden gegeven, zooals hieronder is omschreven.

Nadrukkelijk moet er de aandacht van de ingezetenen op worden gevestigd, dat zij zorg moeten dragen met het rantsoen uit te komen voor het tijdvak, waarvoor het is bestemd, en dat, wie zijn voorraad vóór afloop van dat tijdvak heeft verbruikt, niet opnieuw voor opslag in aanmerking zal komen.

De vraag is nu hoe de opslag moet geschieden. Deze kan plaats vinden:
a. uit den gemeentelijken voorraad te betrekken door tusschenkomst van het Rijksdistributiekantoor;
b. door aankoop van verbouwers aangewezen door de gemeente.

In het eerste geval worden dus de aardappelen door de gemeente verstrekt uit de haar door tusschenkomst van het Rijksdistributiekantoor geleverde hoeveelheden. Het gemeentebestuur gaat daarvoor zorgvuldig na voor welke en hoeveel ingezetenen aardappelen moeten worden aangekocht. Het zondert daarbij alle eigen-verbouwers en hen, die bereids over eene voldoende hoeveelheid aardappelen beschikken van opslag en distributie uit en dient zijne aanvragen voor 28 October a. s. op door het Rijksdistributiekantoor vastgestelde formulieren in bij den Regeeringscommissaris voor de provincie, die deze aanvraag na aanvulling of wijziging doorzendt aan het Rijksdistributiekantoor. Zij, die uit den aldus verkregen voorraad aardappelen, — welke in verband met de transportmoeilijkheden voorloopig is te stellen op ten [tekst loopt onderaan pagina door]

Aan
de Gemeentebesturen. Dit document is een administratieve instructie aan gemeentebesturen over de rantsoenering en opslag van aardappelen. De kern van de tekst is de regulering van de voedselvoorraad voor de winter van 1918-1919.

Belangrijke punten in de tekst:
1. Rantsoenering: Er wordt een strikt maximum gesteld van 130 kg aardappelen per persoon voor de periode van november tot juli.
2. Logistiek onderscheid: Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen plattelandsgemeenten (waar mensen zelf verbouwen) en grote steden (die afhankelijk zijn van aanvoer).
3. Individuele verantwoordelijkheid: De overheid waarschuwt burgers expliciet dat wie zijn rantsoen te vroeg opeet, geen recht heeft op nieuwe voorraad.
4. Bureaucratie: De tekst illustreert de complexe distributieketen via het Rijksdistributiekantoor en de Regeeringscommissaris. Het document dateert van 21 oktober 1918. Dit is slechts drie weken voor het einde van de Eerste Wereldoorlog (11 november 1918). Hoewel Nederland neutraal was, heerste er door de internationale blokkades en handelsembargo's een enorme voedselschaarste.

Aardappelen waren het volksvoedsel bij uitstek. De overheid had de regie over de voedselvoorziening volledig overgenomen via de Distributiewet van 1916. De "Afd. Crisiszaken" waarnaar verwezen wordt, was specifiek opgericht om de gevolgen van de oorlogseconomie te beheersen. De strenge toon over het "uitkomen met het rantsoen" herinnert aan de sociale onrust en hongeroproeren (zoals het bekende Aardappeloproer in Amsterdam in 1917) die in deze periode voorkwamen. De "transportmoeilijkheden" aan het einde van de tekst verwijzen waarschijnlijk naar het gebrek aan brandstof en de vorderingen van vervoersmiddelen die de distributie bemoeilijkten.

Samenvatting

Dit document is een administratieve instructie aan gemeentebesturen over de rantsoenering en opslag van aardappelen. De kern van de tekst is de regulering van de voedselvoorraad voor de winter van 1918-1919.

Belangrijke punten in de tekst:
1. Rantsoenering: Er wordt een strikt maximum gesteld van 130 kg aardappelen per persoon voor de periode van november tot juli.
2. Logistiek onderscheid: Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen plattelandsgemeenten (waar mensen zelf verbouwen) en grote steden (die afhankelijk zijn van aanvoer).
3. Individuele verantwoordelijkheid: De overheid waarschuwt burgers expliciet dat wie zijn rantsoen te vroeg opeet, geen recht heeft op nieuwe voorraad.
4. Bureaucratie: De tekst illustreert de complexe distributieketen via het Rijksdistributiekantoor en de Regeeringscommissaris.

Historische Context

Het document dateert van 21 oktober 1918. Dit is slechts drie weken voor het einde van de Eerste Wereldoorlog (11 november 1918). Hoewel Nederland neutraal was, heerste er door de internationale blokkades en handelsembargo's een enorme voedselschaarste.

Aardappelen waren het volksvoedsel bij uitstek. De overheid had de regie over de voedselvoorziening volledig overgenomen via de Distributiewet van 1916. De "Afd. Crisiszaken" waarnaar verwezen wordt, was specifiek opgericht om de gevolgen van de oorlogseconomie te beheersen. De strenge toon over het "uitkomen met het rantsoen" herinnert aan de sociale onrust en hongeroproeren (zoals het bekende Aardappeloproer in Amsterdam in 1917) die in deze periode voorkwamen. De "transportmoeilijkheden" aan het einde van de tekst verwijzen waarschijnlijk naar het gebrek aan brandstof en de vorderingen van vervoersmiddelen die de distributie bemoeilijkten.

Kooplieden in dit dossier 1

M.A.Sieverts Waterlooplein 2