Archiefdocument
Origineel
4 mei 1920. № 1138 M. 1920.
De marktmeester der 5^e afdeeling
verzoekt het uitdiepen van :
de Brouwersgracht tusschen Goudsbloemstraat
en Lindengracht ;
de Prinsengracht tusschen de Tuinstraat
en Egelantiersstraat ;
de Prinsengracht t/o de Noordermarkt
nabij standpijp Gem: Waterleiding.
4 Mei 1920
De marktmeester
[W.P. Willige] Het document is een ambtelijk schrijven van de Amsterdamse marktmeester van de 5e afdeling aan de betreffende gemeentelijke dienst (waarschijnlijk Publieke Werken). Het is een formeel verzoek om baggerwerkzaamheden ("uitdiepen") uit te voeren op drie specifieke locaties in de Jordaan.
De locaties zijn:
1. Brouwersgracht: Tussen de Goudsbloemstraat en de Lindengracht.
2. Prinsengracht: Tussen de Tuinstraat en de Egelantiersstraat.
3. Prinsengracht: Tegenover de Noordermarkt, ter hoogte van een standpijp van de Gemeentewaterleiding.
Het document bevat een officieel stempelnummer voor de administratieve verwerking. De ondertekening door de marktmeester geeft aan dat de bevaarbaarheid van deze grachten direct van belang was voor de marktactiviteiten in dat gebied. In de vroege 20e eeuw waren de grachten van Amsterdam nog essentieel voor het transport van goederen. Voor de aanvoer van producten naar de markten, zoals de Noordermarkt en de Lindengrachtmarkt, werden vaak platboomde schuiten gebruikt. Slibvorming vormde een constant probleem voor de diepgang van deze vaartuigen.
De marktmeester had de taak om toe te zien op een goede gang van zaken op de markten, wat ook de bereikbaarheid per water omvatte. Het feit dat er specifiek wordt verwezen naar de nabijheid van een standpijp van de Gemeentewaterleiding suggereert dat de ondiepte mogelijk ook invloed kon hebben op de stedelijke infrastructuur of dat dit als een nauwkeurig referentiepunt diende voor de baggerploegen. De genoemde locaties liggen in het hart van de Jordaan, een wijk die in 1920 zeer dichtbevolkt was en waar de markthandel een cruciale rol speelde in de lokale economie. W.P. Willige Publieke Werken
Samenvatting
Het document is een ambtelijk schrijven van de Amsterdamse marktmeester van de 5e afdeling aan de betreffende gemeentelijke dienst (waarschijnlijk Publieke Werken). Het is een formeel verzoek om baggerwerkzaamheden ("uitdiepen") uit te voeren op drie specifieke locaties in de Jordaan.
De locaties zijn:
1. Brouwersgracht: Tussen de Goudsbloemstraat en de Lindengracht.
2. Prinsengracht: Tussen de Tuinstraat en de Egelantiersstraat.
3. Prinsengracht: Tegenover de Noordermarkt, ter hoogte van een standpijp van de Gemeentewaterleiding.
Het document bevat een officieel stempelnummer voor de administratieve verwerking. De ondertekening door de marktmeester geeft aan dat de bevaarbaarheid van deze grachten direct van belang was voor de marktactiviteiten in dat gebied.
Historische Context
In de vroege 20e eeuw waren de grachten van Amsterdam nog essentieel voor het transport van goederen. Voor de aanvoer van producten naar de markten, zoals de Noordermarkt en de Lindengrachtmarkt, werden vaak platboomde schuiten gebruikt. Slibvorming vormde een constant probleem voor de diepgang van deze vaartuigen.
De marktmeester had de taak om toe te zien op een goede gang van zaken op de markten, wat ook de bereikbaarheid per water omvatte. Het feit dat er specifiek wordt verwezen naar de nabijheid van een standpijp van de Gemeentewaterleiding suggereert dat de ondiepte mogelijk ook invloed kon hebben op de stedelijke infrastructuur of dat dit als een nauwkeurig referentiepunt diende voor de baggerploegen. De genoemde locaties liggen in het hart van de Jordaan, een wijk die in 1920 zeer dichtbevolkt was en waar de markthandel een cruciale rol speelde in de lokale economie.