Gedrukte pagina uit een tijdschrift of brochure (pagina 6).
Origineel
Gedrukte pagina uit een tijdschrift of brochure (pagina 6). 14 oktober 1919. [Pagina tekst]
6
Ons land heeft bij zoo'n inrichting groot belang. De uitvoer uit Oost-Indië vertegenwoordigde 10 jaren geleden een waarde van 446 millioen gulden, terwijl een tonnenmaat van 11 millioen kub. M. Insulinde verliet. En dan nog ontving Nederland voor circa 500 millioen gulden waren uit andere werelddeelen. De sympathiebetuigingen, destijds van regeeringen, gezanten en consuls ontvangen uit alle landen ter wereld, wijzen erop, dat ook het buitenland zulk een instituut zou doen meetellen, getuige de toezegging van 10 staten, om een inzending van vreemde producten te sturen, die tot ver over onze grenzen de aandacht zou trekken. Nu de oorlogsrem weer losgegooid is, stelt het vraagstuk van 1909 zich opnieuw, en zeker met niet minder klem, voor de Nederlandsche zakenwereld. In de richting van Handelsinlichtingen als motor voor het internationale zakenleven heeft het Rijk al iets gedaan. Misschien zit daar de belofte in voor meer. Want het Overzee-Instituut moet een Rijks-Instituut zijn. Vóór den oorlog werd de bouw geschat op 2½ millioen. Een som, die nu wel verdubbeld kan worden, en die er toen al op wees, dat alleen een groot en breed aangepakt plan het internationaal meetellen kan waarborgen.
(Geschreven door den ambulanten medewerker v. d. Haagsche Post). AMSTERDAM, 14 October 1919.
[Tekst in/bij de afbeelding]
Linksboven (meertalig bord):
Office des Relations Commerciales.
Bureau für auswärtige Handelsbeziehungen.
Commercial Intelligence Office.
Oficina de Relaciones Comerciales Extranjeras.
Op de gevel:
DE COST GAEN VOOR DE BAET UYT
HANDELSINLICHTINGEN
Onderschrift:
VER. BUREAU VOOR HANDELSINLICHTINGEN AMSTERDAM * Kernboodschap: De tekst pleit voor de verdere ontwikkeling en staatssteun voor een nationaal handelsinstituut (het Overzee-Instituut of Rijks-Instituut). Dit wordt noodzakelijk geacht voor het herstel en de uitbreiding van de Nederlandse internationale handel na de Eerste Wereldoorlog.
* Economische argumentatie: De auteur onderbouwt het belang met indrukwekkende cijfers over de export uit Nederlands-Indië (446 miljoen gulden) en de import uit andere werelddelen (500 miljoen gulden).
* Internationale context: Er wordt gewezen op de internationale erkenning en bereidheid van andere landen om samen te werken. De meertalige borden op de foto benadrukken dit internationale karakter.
* Financiële noodzaak: Er wordt gesproken over een aanzienlijke investering (voorheen 2,5 miljoen gulden, nu waarschijnlijk het dubbele) die nodig is om internationaal te kunnen blijven meespelen. De spreuk op het gebouw, "De cost gaen voor de baet uyt" (kosten gaan vooraf aan de baten), dient als historisch-economisch fundament voor dit pleidooi. Dit document stamt uit de periode direct na de Eerste Wereldoorlog (1919). Hoewel Nederland neutraal was, had de oorlog de wereldhandel ernstig ontregeld. In deze periode van wederopbouw was er een sterke drang om de positie van Nederland als handelsnatie en koloniale mogendheid te herbevestigen.
Het Bureau voor Handelsinlichtingen (BvH), opgericht in 1903 en gevestigd aan de Oudebrugsteeg in Amsterdam, speelde hierin een centrale rol. Het bood Nederlandse ondernemers informatie over buitenlandse markten. De discussie in de tekst over een "Rijks-Instituut" duidt op de wens om deze private of semi-private initiatieven te professionaliseren en onder directe hoede van de overheid te brengen, wat uiteindelijk zou leiden tot de oprichting van diverse diensten voor de buitenlandse economische betrekkingen. M. Insulinde