Archief 745
Inventaris 745-54
Pagina 141
Dossier 37
Jaar 1920
Stadsarchief

Pagina's uit een gedrukte publicatie (vermoedelijk een jaarverslag of gedenkboek).

Origineel

Pagina's uit een gedrukte publicatie (vermoedelijk een jaarverslag of gedenkboek). [Pagina 4]

gaat, voor alle artikelen open, en door het veelvuldig inzenden van de zaken in miniatuur, in staat, heel wat op te nemen.

Opgericht in 1903 met een 200 leden heeft de Ver. »Bureau voor Handelsinlichtingen« thans een 3000 leden; haar budget steeg in dien tijd van f 3000,— tot f 80.000,— En er is, om »aan de eischen des tijds te voldoen«, twee ton noodig. Die meerdere inkomsten zijn: (sedert 1907) de Regeeringssubsidie, en de betaling der »losse« inlichtingen. Nietwaar, dat klinkt eenvoudig genoeg. Maar welk een ongelooflijke zware arbeid is er verricht moeten worden, aleer dat duizendarmige adressen-net over de gansche wereld gespannen was. Tot 1918 waren er ver over het millioen brieven gewisseld, en thans kan gerekend worden, dat er een 100.000 per jaar behandeld worden, d. i. 300 per dag! Gezwegen dan nog van de correspondentie, die indirect met Handelsinlichtingen in verband staat. In den oorlogstijd alleen is het archief uitgebreid met 40.000 stukken, die alleen betrekking hadden op den economischen oorlog. En natuurlijk werd het Bureau, zoodra de wapenstilstand was ingetreden, overstelpt met vragen. De oorlog heeft tienduizenden relaties te niet gedaan, dat alles moet weer hersteld of nieuw opgebouwd worden. En tijdens den oorlog moest het Bureau weer een gansch samenstel van inlichtingen gereed hebben, om den belanghebbende te helpen bij het doorworstelen van den doolhof oorlogsbepalingen bij vervoer en levering.

Altijd ging het scheppen van nieuwe maatregelen door. In 1914 werd al dadelijk een dienst »nieuwe artikelen in Nederland gemaakt« ingesteld. Ook door tentoonstelling van die artikelen in het Bureau, heeft men meegewerkt, om de energie der Nederlandsche nijverheid ruim baan te maken, nu zoo menige buitenlandsche band was gebroken. Een andere dienst (ook kosteloos) was »Binnenlandsche vertegenwoordiging«. De Ned. agenten van buitenlandsche fabrieken zagen hun inkomsten door den oorlog wegzinken, en het Bureau slaagde erin (reeds vóór de Regeeringsdienst der arbeidsbemiddeling in Febr. 1919 optrad) krachtig ertoe mee te werken, dat de nieuwe Nederlandsche industrieën ervaren krachten vonden om te vertegenwoordigen, zoodat die vertegenwoordigers weer een arbeidsveld hadden. Betreedt het Bureau hiermee een terrein, dat wel eenigszins naast zijn eigenlijke arbeidsveld ligt, men houdt zich toch

[Pagina 5]

streng aan de wet: intermediair zijn, meer niet. Dat komt vooral aan den dag in het weigeren van allerlei diensten, die uit den aard van het schatrijke archief gemakkelijk waren te bewijzen en de inkomsten zouden vergrooten, doch het beginsel der belangeloosheid zouden schaden.

Er is nog een andere moeilijkheid. Er komen allengs instellingen, die hetzelfde werk willen doen als het Bureau reeds 16 jaren doet. Dat geeft dubbele arbeid die niet, betaald wordt. De ervaring heeft bewezen, dat niet zelden in het buitenland dezelfde vraag wordt gericht tot zes, zeven vereenigingen of commissies in Nederland. Dat kwam aan den dag, doordat Kamers van Koophandel, Banken, Consulaten e.d. die vragen doorzonden aan het Bureau en dan bleek, dat het meermalen precies dezelfde vraag was. Instellingen met dezelfden voorlichtingsdienst in Nederland zullen door samenwerking dit euvel kunnen bestrijden. Bovendien heeft het Bureau den eisch gesteld, dat het anoniem karakter van alle vragen voor derden is opgeheven. Zoodoende kent men altoos den vrager, en kan de veelvuldige aanvraag op den duur worden overwonnen. Als men nu weet, dat voor het opsporen van een enkel artikel soms tot 40 firma’s moeten worden geraadpleegd, dan kan duidelijk zijn, welk een tijdverlies de dubbele of veelvuldige vraag tengevolge kan hebben.

Wie in de afdeeling »ontvangst van bezoekers« toeft tusschen de blauw-gele archiefkasten, zóó gerangschikt, dat men eenige bezoekers tegelijk en gereserveerd kan te woord staan, zal het opvallen, dat er in het Bureau van den heer KAMERLINGH ONNES een tropische sfeer heerst. Dat is niet toevallig. Immers, de handelsrelaties der wereld bestrijken voor een groot deel het koloniale gebied. En naarmate het Bureau voor Handelsinlichtingen dat gebied betrad, kwam het groote belang aan den dag van een instelling, die onder den naam van Overzee-Instituut reeds 10 jaren tot het rijk der goede wenschen behoort. De heer ONNES is daarvan de nimmer rustende voorbereider; in 1909 was, door het overlijden van Dr. GRESHOFF, de overbrenging van het Koloniaal Museum van Haarlem naar Amsterdam urgent geworden, temeer, daar aan het Damrak op het oude Beursterrein gemeentegrond voor 8 1/2 ton te koop was. Het heeft niet mogen zijn; de Bijenkorf was voor. En nu nog wacht Nederland op zijn Overzee-Instituut. Deze tekst beschrijft de groei en de filosofie van het Bureau voor Handelsinlichtingen (BvH) in een cruciale periode van de Nederlandse economische geschiedenis: de overgang van de Eerste Wereldoorlog naar de wederopbouw.

De kernpunten van de tekst zijn:
1. Explosieve groei: Van 200 leden in 1903 naar 3000 rond 1919. De werklast is enorm: 300 brieven per dag en een archief dat tijdens de oorlog met 40.000 dossiers groeide.
2. Adaptatie aan de oorlog: Het Bureau hielp ondernemers bij het navigeren door de complexe "oorlogsbepalingen" en stimuleerde de productie van Nederlandse alternatieven voor weggevallen importproducten.
3. Ideologische koers: Het Bureau hamert op "belangeloosheid". Hoewel ze geld konden verdienen aan hun unieke archief, verkozen ze hun rol als onafhankelijk intermediair.
4. Efficiëntie en Centralisatie: De tekst klaagt over "dubbele arbeid" door versnippering van informatievragen bij banken en Kamers van Koophandel. Het pleit voor één centraal punt.
5. Koloniale ambitie: Er wordt een direct verband gelegd tussen handelsinformatie en de koloniën (het "Overzee-Instituut"). Het Bureau voor Handelsinlichtingen (BvH) werd in 1903 opgericht (met steun van o.a. de Maatschappij voor Nijverheid) om het Nederlandse bedrijfsleven te voorzien van marktgegevens en adressen in het buitenland.

De genoemde heer Kamerlingh Onnes (O. Kamerlingh Onnes) was de drijvende kracht achter het Bureau en een belangrijk pleitbezorger voor de Nederlandse handel. De tekst noemt het mislukken van de aankoop van het terrein aan het Damrak voor het Overzee-Instituut (het huidige terrein van de Bijenkorf in Amsterdam). Dit instituut zou uiteindelijk opgaan in de ambities die leidden tot de oprichting van het Koloniaal Instituut (het huidige Koninklijk Instituut voor de Tropen).

De tekst illustreert hoe Nederland, als neutrale maar economisch zwaar getroffen mogendheid, na de wapenstilstand van 1918 koortsachtig probeerde zijn internationale handelsnetwerken te herstellen.

Samenvatting

Deze tekst beschrijft de groei en de filosofie van het Bureau voor Handelsinlichtingen (BvH) in een cruciale periode van de Nederlandse economische geschiedenis: de overgang van de Eerste Wereldoorlog naar de wederopbouw.

De kernpunten van de tekst zijn:
1. Explosieve groei: Van 200 leden in 1903 naar 3000 rond 1919. De werklast is enorm: 300 brieven per dag en een archief dat tijdens de oorlog met 40.000 dossiers groeide.
2. Adaptatie aan de oorlog: Het Bureau hielp ondernemers bij het navigeren door de complexe "oorlogsbepalingen" en stimuleerde de productie van Nederlandse alternatieven voor weggevallen importproducten.
3. Ideologische koers: Het Bureau hamert op "belangeloosheid". Hoewel ze geld konden verdienen aan hun unieke archief, verkozen ze hun rol als onafhankelijk intermediair.
4. Efficiëntie en Centralisatie: De tekst klaagt over "dubbele arbeid" door versnippering van informatievragen bij banken en Kamers van Koophandel. Het pleit voor één centraal punt.
5. Koloniale ambitie: Er wordt een direct verband gelegd tussen handelsinformatie en de koloniën (het "Overzee-Instituut").

Historische Context

Het Bureau voor Handelsinlichtingen (BvH) werd in 1903 opgericht (met steun van o.a. de Maatschappij voor Nijverheid) om het Nederlandse bedrijfsleven te voorzien van marktgegevens en adressen in het buitenland.

De genoemde heer Kamerlingh Onnes (O. Kamerlingh Onnes) was de drijvende kracht achter het Bureau en een belangrijk pleitbezorger voor de Nederlandse handel. De tekst noemt het mislukken van de aankoop van het terrein aan het Damrak voor het Overzee-Instituut (het huidige terrein van de Bijenkorf in Amsterdam). Dit instituut zou uiteindelijk opgaan in de ambities die leidden tot de oprichting van het Koloniaal Instituut (het huidige Koninklijk Instituut voor de Tropen).

De tekst illustreert hoe Nederland, als neutrale maar economisch zwaar getroffen mogendheid, na de wapenstilstand van 1918 koortsachtig probeerde zijn internationale handelsnetwerken te herstellen.

Kooplieden in dit dossier 31

H.L. Bonte Waterlooplein 380
H.L. Bonte Waterlooplein 150
V.V.O. Diverse Waterlooplein 4,10-8,50
V.V.O. Diverse Waterlooplein -
V.V.O. Diverse Waterlooplein *433 „ 200 Malta*
V.V.O. Diverse Waterlooplein *H. O. K.*
A. Geboorte Waterlooplein *"*
R. Eigenheimers Waterlooplein 4,10
R. Eigenheimers Waterlooplein *Drente*
R. Eigenheimers Waterlooplein -
E.A. Borgerstr Waterlooplein 3,25. 6,45
A. Geboorte Waterlooplein *Friesland*
Geldersche Bravo's Waterlooplein -
A. Groenten Waterlooplein 1549
79 gulden). " 0,23
B. Schelvisch " 0,45
Polder poters Waterlooplein -
Rijper *Limburgsche industrie* Waterlooplein *Limburg*
K. Bloemen Waterlooplein 222
R. Eigenheimers Waterlooplein *N. Holl. eilanden*
Zeeuwsche blauwen Waterlooplein 10.- 10,75
A. Geboorte Waterlooplein *Zeeland*
Alle 31 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 2