Gedrukte tekst, waarschijnlijk een fragment uit een tijdschriftartikel of jaarverslag.
Origineel
Gedrukte tekst, waarschijnlijk een fragment uit een tijdschriftartikel of jaarverslag. November 1919 (gebaseerd op de voetnoot op pagina 2). [Pagina 2]
2
incarnatie van het begrip adres is, had ik gevraagd, den adressenberg eens te mogen bestijgen. Dat werd bereidwillig toegestaan, en op een niet al te warmen dag stond ik ervoor, en moest erdoor. Lang zal het me heugen; wilde droomen, waarin honderdduizenden adressen een duivelsdans uitvoeren, of ook in ontzaglijke lawines neerstorten, luisteren nog telkens mijn nachtrust op.
Een merkwaardige ontvangst. De directeur liet juist een bezoeker uit, begroette mij en zei: »Ziezoo, nu is u bezoeker. Wat wenscht u?« Op zoo'n preludium had ik niet gerekend en poogde inderhaast een vraag te verzinnen betreffende het adres van een vaag iemand, die mij sedert enkele weken vervolgde met de nieuwste vulpen, toen de heer KAMERLINGH ONNES reddend optrad door vast te stellen, dat ik achtereenvolgens alles wenschte. Inderdaad, ik wenschte alles te weten en vernam toen, dat op de vlag van het Bureau geschreven staat: »Wij bedoelen de Nederlandsche handelsverbindingen met het buitenland te bevorderen, en handel, landbouw, nijverheid, visscherij en verkeer in Nederland, onpartijdig en practisch zoo krachtig mogelijk te dienen.« Onpartijdig. Dat is een der eerste fundamenten. Er worden hier alleen relaties geschapen; de onderhouding ervan is het werk van den belanghebbende. Het Bureau is nooit referentie, laat zich niet uit over den geïnformeerde, onthoudt zich van elk aandeel in zaken, blijft buiten alle vragen van credietwaardigheid (waarvoor een beroep op de Bank dient). Tweede hoekzuil is: het Nederlandsche belang voorop. Ten dienste van den Nederlandschen handel worden gezocht alle adressen over de gansche wereld; ten dienste van het buitenland worden alleen Nederlandsche en koloniale adressen gegeven. Men kan het ook anders zeggen: voor Nederland wordt initiatief genomen; voor het buitenland is men ter beschikking. Daar staat tegenover (uit courtoisie) dat een buitenlander gratis bediend wordt, en dat (uit goedbegrepen eigenbelang om te leven) een Nederlander moet betalen, hetzij per inlichting, hetzij als lid.
Het woord »practisch« in de vlag voert ons naar de omvangrijke werkzaamheden van het Bureau en verklaart ook, waarom een huis met drie verdiepingen barstensvol zitten kan *). Tot de middelen om de relaties vlug te doen
*) Sedert is noodgedwongen ook de kap in gebruik genomen en zit thans het gebouw tot den nok vol. (Nov. 1919) B. v. H.
[Pagina 3]
3
werken, behoort het recht der leden, om monsters van hun eigen (mits Nederlandsche) artikelen in het Bureau kosteloos ten toon te stellen. Men begrijpt: wie zóó wijd de deur openzet voor een onbegrensd aantal handelswaren, zit al spoedig vol. Daar komt bij een nog andersoortige uitwerking van het »practisch dienen«. Het Bureau heeft zijn terrein van inlichtingen ook uitgebreid tot tariefbepalingen, invoerrechten, handelsstatistiek, verscheping, verzending, verzekering. En dan nog adresseert en verspreidt het adreskaarten, monsters en drukwerken der leden, ingeval het de kansen voor nieuwe relaties gunstig acht. Zoo zal men begrijpen, dat de arbeid in het adressenpaleis heel wat omvangrijker is dan het woord adres alleen zou doen vermoeden. Om eens een voorbeeld te noemen. Men had gelezen (dat wil dus zeggen, dat op het Bureau een afdeeling is, die den ganschen dag leest, knipt, opplakt en rubriceert uit een stroom buitenlandsche bladen) dat het bevroren vleesch uit de Zuid-Amerikaansche Republieken te Londen minder opbracht wegens minder goede qualiteit. Dat was iets voor het Nederlandsche fokvee! Vlug werd een rapport over ons fokvee in het Spaansch opgesteld en in de Zuid-Amerikaansche Republieken bekend gemaakt. Gevolg? Een proeforder. En daarna betere. Het mes sneedt dus naar drie kanten: nieuwe relaties waren aangeknoopt, Londen kreeg puik vleesch en het Nederlandsch fabrikaat was geëerd.
— Gaat dit altoos vóór? vroeg ik den heer ONNES. Het antwoord was: Als een Nederlander een buitenlandsch artikel vraagt, waarvan ook Nederlandsch fabrikaat bestaat, dan wordt hij gewezen op dat Nederlandsche werk. Meer niet; het ligt buiten de lijn van het Bureau om de handelswaar te pousseeren. Dus wordt zoo'n bezoeker naar het souterrain gebracht, waar op lange tafels duizenden adreskaarten van Nederlandsche firma's zijn uitgelegd, gegroepeerd naar het register van Everwijn's Handboek. Boven is het buitenland heer en meester. Daar vinden we b.v. de invoerrechten van alle landen ter wereld bijeen in een groote kast met doozen. Daar zijn de adresboeken van de gansche wereld, de portefeuilles met knipsels uit alle mogelijke tijdschriften, de honderden mappen met gegevens omtrent buitenlandsche firma's, alles systematisch ingedeeld. In dien mappenberg is drieërlei systeem: op firmanaam, op het artikel (er zijn er zoo'n 2100!) en op de woonplaats. De monsterkamers zijn, zoo goed en kwaad als het in een beperkte ruimte * Schrijfstijl: De auteur hanteert een verhalende, bijna lyrische toon ("adressenberg", "duivelsdans", "adressenpaleis") om een feitelijke instelling te beschrijven. Het is een mengeling van een verslag en een promotiepraatje.
* Kernbegrippen: Het Bureau stoelt op twee pijlers: onpartijdigheid (geen bemoeienis met de zakelijke afwikkeling of kredietwaardigheid) en het Nederlandsche belang (prioriteit voor Nederlandse export).
* Werkwijze: De organisatie functioneert als een analoge zoekmachine avant-la-lettre. Informatie wordt verzameld door het systematisch lezen en knippen van buitenlandse bladen, het bijhouden van adresboeken en het documenteren van internationale handelstarieven.
* Spelling: Gebruik van de verouderde spelling-De Vries en Te Winkel (bijv. "visscherij", "gansche", "practisch"). Dit document biedt een uniek kijkje in de Nederlandse handelsbevordering kort na de Eerste Wereldoorlog (1919). Het beschreven "Bureau" is het Bureau voor Handelsinlichtingen (BvH), dat in 1903 in Amsterdam werd opgericht om de Nederlandse export te stimuleren.
De genoemde heer Kamerlingh Onnes is Mr. O. Kamerlingh Onnes (1861-1931), een broer van de bekende natuurkundige Heike Kamerlingh Onnes. Hij was de drijvende kracht en directeur van dit bureau. Zijn aanpak was modern voor die tijd: het proactief koppelen van Nederlandse producenten aan buitenlandse marktkansen (zoals het voorbeeld van het fokvee illustreert).
Het document getuigt van de transitie naar een informatie-economie, waarbij data over markten, adressen en regelgeving cruciaal werden voor economisch succes. De opmerking in de voetnoot over het gebouw dat "tot den nok vol" zit, illustreert de explosieve groei van de bureaucratische informatievoorziening in die periode. O. Kamerlingh