Archiefdocument
Origineel
7 juni 1920 (met aantekeningen van 11 juni). [Voorblad/Voorste vel]
No 1390 M. 1920. 76
Over het jaar 1919 zijn totaal 67676 M³
aan overdekte vaartuigen ter markt geweest.
Aangenomen kan worden dat daarvan
ongeveer de helft of 34000 M³ in colli-
bevrachting plaats had.
Per 1000 M³ wordt gerekend 70000
colli, zodat totaal in overdekte
vaartuigen werd aangevoerd 2380000
colli’s
Het marktgeld betaald per ton, bedroeg
f 3400. —, terwijl denzelfden aanvoer
betaald per colli een opbrengst geeft
van f 23800. —
De meerdere opbrengst is alzoo
f 20400. —, zijnde eene verhooging
van 600 % of wel een verhouding
van 1-7.00 [of 1-700].
[In rood potlood/inkt aan de linkerzijde:]
Aanbeveling verdient het
m.i. iedere zaak breedvoerig
op een te houden conferentie met de
Marktmeesters te bespreken. [Geparafeerd: CVD?]
[Rond stempel/aantekening:]
Bespreken ?
11/6
A’dam, 7 Juni 1920.
De Marktm. 1e Afd.
[Handtekening: S.P. Werking?]
[Achterliggend vel - voor zover zichtbaar]
No 1390 M. 1920.
Verschil in betaling per M³ of per Colli.
Roelofarendsveen
Een vaartuig van 14 M³ heeft 12 a 1400 zak peulen
Dopper, snij of sperciebonen geladen betaald per M³ f 2.45
althans f 12.- of f 14.- [Rechts:] 1000 %
De Rijp of Purmerend
Een vaartuig van 80 M³ heeft 5 à 6000 zak ...
15 kilo betaald per M³ f 8.- thans f 50.- of 60.- of 70.- [Rechts:] ± 750 %
Id. Sperriebonen ...
[Verdere verspreide aantekeningen aan de rechterzijde van het achterblad:]
... 4000 zak snij
... f 30.- of f 40.-
... 1000 %
... 5 à 600 mandjes
... 1.50 tot f 2.40 thans
... 2600 %
... 3000 zak snij of sper.
... thans f 25.- of f 30.-
... 860 %
--- Dit document is een intern financieel rapport van het Amsterdamse Marktwezen uit 1920. De kern van het document is een vergelijking tussen twee manieren om marktgelden te heffen van schippers die goederen (voornamelijk groenten zoals peulvruchten) naar de stad brachten.
Op het voorblad wordt een berekening gemaakt op basis van de cijfers van 1919. De marktmeester stelt vast dat wanneer er per ton (volume) wordt afgerekend, de opbrengst voor de stad aanzienlijk lager is dan wanneer er per "colli" (per zak, mand of eenheid) zou worden afgerekend.
Uit de berekening blijkt dat de opbrengst bij betaling per colli f 23.800,- zou zijn, tegenover slechts f 3.400,- bij betaling per ton. Dit is een verschil van 600%. De marktmeester gebruikt deze data om aan te tonen dat de huidige manier van heffen (per volume) nadelig is voor de gemeentekas.
De rode kanttekening suggereert dat dit onderwerp belangrijk genoeg is om breed te bespreken in een conferentie met alle marktmeesters, wat duidt op een voorgenomen beleidswijziging in de belastingheffing op de Amsterdamse markten.
--- In het begin van de 20e eeuw was Amsterdam een cruciaal handelscentrum voor landbouwproducten. De aanvoer gebeurde grotendeels via het water. De gemeente Amsterdam inde marktgelden om het beheer en onderhoud van de markten en kades te bekostigen.
De periode rond 1920, kort na de Eerste Wereldoorlog, was een tijd van economische herstructurering en inflatie. Overheden zochten naar manieren om hun inkomsten te optimaliseren. Dit document illustreert de verschuiving van grove bulkmaten (tonnage/volume) naar nauwkeurigere eenheidsmaten (colli).
De genoemde plaatsen (Roelofarendsveen, De Rijp, Purmerend) waren belangrijke toeleveranciers van groenten (de "natte teelt") voor de Amsterdamse markt. De details over "overdekte vaartuigen" verwijzen naar de modernere schuiten die werden gebruikt om kwetsbare producten zoals snijbonen en sperziebonen te beschermen tegen de weersinvloeden. De enorme rendementsverschillen die in het document worden genoemd (tot 2600% op sommige posten op het achterblad) tonen aan waarom deze administratieve verandering voor de stad van groot financieel belang was.