Archiefdocument
Origineel
14 juni 1920 [Linksboven:]
N 14/50 M.
159b
[Rechtsboven:]
Amst. 14 juni 1920
WelEd. Heer.
[Marge links:]
Tevens moet ik herhaaldelijk bemerken, dat hier [doorgehaald: door een onjuiste opvatting] bij menschen [doorgehaald: die] de indruk bestaat dat steeds voldoende wordt nagegaan of de betrokkene in staat is productief werk te verrichten. Voorts is het brengen van meer venters op den weg niet in het belang van de bevolking en ten slotte is het verlenen van vergunning aan deze [onleesbaar] voor de voedselvoorziening van de bevolking [doorgehaald: dezer gemeente] [onleesbaar]
Door het kunstmatig brengen van meer venters op de straat doet men steun van de gemeente [doorgehaald: aan deze] [onleesbaar] de belangen der bevolking niet gediend ten opzichte van de voedselvoorziening.
[Hoofdtekst:]
Dezer dagen vervoegde zich bij mij B.L. van Bavel met verzoek hem een vaste staanplaats aan te wijzen met een handkar voor den verkoop van levensmiddelen.
Ter introductie liet hij mij zien een ondersteuningsboekje van het Burgerlijk Armbestuur nevens een formulier (waarvan hierbij een afschrift gaat) van den Stads-heelmeester.
De vraag op dit formulier gesteld "Mag hij langs de straat venten?" geeft mij opnieuw de overtuiging dat door verschillende personen de opvulling [doorgehaald: van de straat met allerhande artikelen bevorderd aan deze niet in de hand gewerkt moet worden] van het venten op straat niet [doorgehaald: moeilijk] gemaakt wordt.
[Doorgehaald tekstblok onderaan:]
Gelijk ik u reeds meermalen uiteenzette achte ik het ongewenscht om aan den straathandel uitbreiding te geven, omdat mijn overtuiging is dat hierdoor de voedselvoorziening der Amsterdamsche bevolking niet wordt gebaat. Vooral als dit personen betreft, wien ondersteuning moet worden verstrekt, omdat zij ongelukkig zijn of ongezond zijn, kan dit zelfs gevaar opleveren. Dit document is een ambtelijk concept (waarschijnlijk van een marktmeester of een inspecteur van de publieke gezondheid/voedselvoorziening) gericht aan een hoger geplaatste functionaris (mogelijk de Wethouder of Burgemeester).
De kern van de zaak is een aanvraag van een zekere B.L. van Bavel, die vanwege zijn armoede (hij heeft een boekje van het Burgerlijk Armbestuur) en fysieke gesteldheid (hij heeft een verklaring van de stadsheelmeester) een staanplaats voor een handkar wil krijgen.
De schrijver van de brief is echter zeer kritisch over dit systeem. Hij stelt dat:
1. Het "kunstmatig" vergroten van het aantal straatventers niet bijdraagt aan een efficiënte voedselvoorziening van de stad.
2. Instanties zoals de stadsheelmeester en het armbestuur te makkelijk meewerken aan dergelijke verzoeken ("Mag hij langs de straat venten?").
3. Het onwenselijk is om mensen die "ongelukkig of ongezond" zijn in de straathandel te laten werken, omdat dit zelfs gevaarlijk zou kunnen zijn voor de algemene bevolking (mogelijk met het oog op hygiëne).
De vele doorhalingen wijzen op een zorgvuldige formulering van een formeel standpunt tegen de uitbreiding van de straathandel in Amsterdam in die periode. In de vroege 20e eeuw was straathandel in Amsterdam een essentieel maar ook zwaar gereguleerd onderdeel van de economie. Voor velen die buiten het reguliere arbeidsproces vielen door ziekte of gebrek, was venten met een handkar de laatste strohalm om uit de volledige armoede te blijven.
Ambtenaren in die tijd probeerden de straathandel echter vaak in te perken ten gunste van vaste winkels en centrale markten, vanuit het idee van modernisering, stadsreiniging en een beter controleerbare voedselkwaliteit. Dit document illustreert de frictie tussen het sociale beleid (mensen aan werk helpen via het Armbestuur) en het economische/logistieke beleid (het beperken van het aantal venters op straat). B.L. van Bavel