Archiefdocument
Origineel
19 juli 1939 J. Renz, Marktopzichter Den Heer Inspecteur Waterlooplein 19 Juli 1939
Den Heer
Inspecteur
__________
Aangaande het verzoek van H. H. M. Menist en
M. Zurel, om vóór hun winkel Waterlooplein
hoek Korte Houtstraat een uitstalling te mogen
hebben voor de verkoop van 2. hands radio onder-
deelen, zou ik U in overweging willen geven
het verzoek niet toe te staan. m: i: is hiervoor
de reden dat eventueele koopers van dergelijke
art:, welke gewend zijn op de markt te koopen,
naar dat soort uitstallingen getrokken
worden, en niet meer kooper op de markt blijven,
terwijl de markten van dat soort uitstallingen
m: i: alleen blijvend nadeel ondervinden.
Marktopz:
J. Renz Dit document is een ambtelijk advies van een marktopzichter aan een inspecteur. De kern van de brief is een negatief advies over het verzoek van twee winkeliers, de heren Menist en Zurel. Zij wilden een buitenuitstalling (stoepverkoop) inrichten voor tweedehands radio-onderdelen voor hun pand op de hoek van het Waterlooplein en de Korte Houtstraat.
De argumentatie van marktopzichter Renz is puur economisch en gericht op de bescherming van de marktstandplaatsen: hij vreest dat een permanente uitstalling bij een winkel klanten zal weglokken van de eigenlijke markt. Volgens hem zouden de marktkooplieden hierdoor "blijvend nadeel" ondervinden. Het gebruik van de afkorting "m: i:" (mijns inziens) benadrukt dat dit zijn professionele oordeel is. De brief is geschreven in juli 1939, slechts zes weken voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het Waterlooplein was op dat moment het kloppende hart van de Amsterdamse Joodse buurt en de locatie van de beroemdste dagmarkt van de stad. De namen Menist en Zurel zijn typisch Joods-Amsterdamse namen uit deze periode.
Het document illustreert de strikte regulering van de openbare ruimte en de handel in die tijd. Er bestond een voortdurende spanning tussen de belangen van gevestigde winkeliers en de marktkooplieden. De markt op het Waterlooplein was een vitale bron van inkomsten voor de lokale Joodse bevolking; een inkomen dat door de naderende bezetting en de daaropvolgende anti-Joodse maatregelen spoedig volledig vernietigd zou worden.