Archief 745
Inventaris 745-278
Pagina 341
Dossier 76
Jaar 1939
Stadsarchief

Typscript (doorslag of kopie van een ambtelijk rapport/brief).

5 januari (jaartal niet expliciet bovenaan, maar tekst verwijst naar een besluit van 21 januari 1938, dus waarschijnlijk geschreven in 1938 of 1939).

Origineel

Typscript (doorslag of kopie van een ambtelijk rapport/brief). 5 januari (jaartal niet expliciet bovenaan, maar tekst verwijst naar een besluit van 21 januari 1938, dus waarschijnlijk geschreven in 1938 of 1939). 1 5 Januari x40
25/226/3 den Heer Wethouder voor
Amsterdam. de Levensmiddelen.

-omdat alleen dan de schreeuwende venters op de markt ko-
men- zou deze opheffing trouwens voor den Zaterdag niet noo-
dig zijn. Opheffing van Maandag tot en met Vrijdag alleen
van het gedeelte der markt voor de school, zou op die dagen
een onderbreking der markt ten gevolge hebben, waardoor
het laatste gedeelte : van de school tot de Van Woustraat,
niet zou kunnen in stand blijven; bovendien ondervindt de
school evenzeer last van de schreeuwende kooplieden, die
iets verder op de markt staan. Opheffing van Maandag tot
en met Vrijdag van het geheele zoogenaamde derde gedeelte
der markt, dus van de Sweelinckstraat tot de Van Woustraat,
zou financieel nadeel beteekenen voor de Gemeente maar
vooral ook voor de kooplieden, die vaste plaatsen op dit
deel der markt bezetten en die zich niet schuldig maken
aan het schreeuwen.

    Wat het financieele nadeel voor de Gemeente betreft

diene, dat gemiddeld per week op dit deel der markt worden
uitgegeven 74 losse plaatsen à f 0.15; de jaarlijksche op-
brengst hiervan is dus 52 x 74 x f 0.15 = f 577,20. Zouden
de bedoelde losse plaatsen alleen des Zaterdags beschikbaar
zijn, dan zou de daaruit te verwachten opbrengst zeker met
75% verminderen en dus slechts f 144,30 bedragen. Het ver-
lies uit dezen hoofde bedraagt derhalve f 577,20 - f 144,30 =
rond f 430,-. Bovendien zijn er momenteel 6 vaste plaatsen
à f 0.60 per week en 53 vaste plaatsen à f 1,35 per week.
De 6 vaste plaatsen à f 0.60 per week brengen jaarlijks op:
52 x 6 x f 0.60 = f 187,20; zouden zij voortaan alleen op
Zaterdag kunnen worden bezet, dan zou de jaarlijksche op-
brengst zijn 52 x 6 x f 0.15 = f 46,80. Uit dezen hoofde
derhalve een verlies van f 187,20 - f 46,80 = rond f 140,-
per jaar. Wat de 53 vaste plaatsen à f 1,35 betreft diene,
dat dit marktgeld betaald wordt door kooplieden, die in den
loop van den dag opschuiven naar een deel der markt, waar
de kramen electrisch verlicht kunnen worden (vide het Be-
sluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 21 Januari 1938
no. 768 L.M.1937). Bij opheffing van het derde gedeelte der * Kernproblematiek: De tekst beschrijft een conflict tussen de overlast van "schreeuwende venters" nabij een school en de economische belangen van de gemeente en bonafide kooplieden. Er ligt een voorstel om de markt van maandag t/m vrijdag op te heffen in het "derde gedeelte".
* Locatie-indicatie: Er is sprake van de Sweelinckstraat en de Van Woustraat. Dit duidt onmiskenbaar op het oostelijke deel van de Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp.
* Financiële onderbouwing: De schrijver rekent nauwkeurig voor wat de derving aan marktgeld zal zijn voor de gemeente Amsterdam. Er wordt onderscheid gemaakt tussen "losse plaatsen" (dagjesmensen) en "vaste plaatsen" (vaste standplaatshouders).
* Sociale nuance: De auteur neemt het op voor de vaste kooplieden die zich "niet schuldig maken aan het schreeuwen", maar die wel de dupe zouden worden van een algehele doordeweekse sluiting van dit marktsegment.
* Modernisering: De vermelding van kramen die "electrisch verlicht kunnen worden" wijst op de toenemende modernisering van de marktfaciliteiten in die periode. Dit document stamt uit de late jaren '30, een periode waarin de Amsterdamse markten (en de Albert Cuyp in het bijzonder) aan striktere regulering onderhevig waren. De Pijp was een dichtbevolkte volkswijk waar de markt voor broodnodige inkomsten en goedkope levensmiddelen zorgde, maar ook voor aanzienlijke geluidsoverlast en verkeershinder zorgde voor aanwonenden en instellingen zoals scholen. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze jaren een cruciale figuur in het stedelijk beheer, zeker met de naderende oorlogsdreiging en de distributievraagstukken die kort daarna zouden volgen. Het genoemde besluit van 21 januari 1938 markeert een specifiek moment in de regelgeving omtrent marktverlichting en standplaatsvergoedingen.

Samenvatting

  • Kernproblematiek: De tekst beschrijft een conflict tussen de overlast van "schreeuwende venters" nabij een school en de economische belangen van de gemeente en bonafide kooplieden. Er ligt een voorstel om de markt van maandag t/m vrijdag op te heffen in het "derde gedeelte".
  • Locatie-indicatie: Er is sprake van de Sweelinckstraat en de Van Woustraat. Dit duidt onmiskenbaar op het oostelijke deel van de Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp.
  • Financiële onderbouwing: De schrijver rekent nauwkeurig voor wat de derving aan marktgeld zal zijn voor de gemeente Amsterdam. Er wordt onderscheid gemaakt tussen "losse plaatsen" (dagjesmensen) en "vaste plaatsen" (vaste standplaatshouders).
  • Sociale nuance: De auteur neemt het op voor de vaste kooplieden die zich "niet schuldig maken aan het schreeuwen", maar die wel de dupe zouden worden van een algehele doordeweekse sluiting van dit marktsegment.
  • Modernisering: De vermelding van kramen die "electrisch verlicht kunnen worden" wijst op de toenemende modernisering van de marktfaciliteiten in die periode.

Historische Context

Dit document stamt uit de late jaren '30, een periode waarin de Amsterdamse markten (en de Albert Cuyp in het bijzonder) aan striktere regulering onderhevig waren. De Pijp was een dichtbevolkte volkswijk waar de markt voor broodnodige inkomsten en goedkope levensmiddelen zorgde, maar ook voor aanzienlijke geluidsoverlast en verkeershinder zorgde voor aanwonenden en instellingen zoals scholen. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze jaren een cruciale figuur in het stedelijk beheer, zeker met de naderende oorlogsdreiging en de distributievraagstukken die kort daarna zouden volgen. Het genoemde besluit van 21 januari 1938 markeert een specifiek moment in de regelgeving omtrent marktverlichting en standplaatsvergoedingen.

Locaties

Amsterdam.

Gerelateerde Documenten 3