Ambtelijk advies / dienstbrief.
Origineel
Ambtelijk advies / dienstbrief. 11 januari 1910. Onbekende ambtenaar/marktmeester (ondertekening onderaan). Den Heer Inspecteur van het Marktwezen, Amsterdam ("Alhier"). Advies op No 26 / 24 f / 1 M 39
Den Heer Inspecteur
v/h Marktwezen
Alhier.
Naar aanleiding van bijgaand verzoek van
J. Wijnschenk, pl. 131 AC, diene het volgende:
Vóór eenige weken is de vrouw van Wijnschenk
overleden en is hij in gaan wonen bij zijn zoon.
Tot het overlijden heeft hij geregeld gebruik ge-
maakt van zijn plaats, niettegenstaande hij
driekwart blind is.
Thans is het de bedoeling, dat zijn oud-assistent
M. Kloots de zaak voortzet en hij zelf voor nu en dan
nog bij zijn plaats komt.
Zooals door hem is verklaard, wenscht hij op deze
wijze een bestaan te scheppen voor den heer Kloots,
doch het hem persoonlijk om eenig zakgeld gaat.
Feitelijk is het doel dus voor hem de plaats over
te doen, hetgeen uit den aard der zaak zeer onge-
wenscht is, omdat belangen van meer rechthebbenden
in het gedrang komen.
Beter ware het, dat de heer Wijnschenk geheel van
zijn plaats afziet en geef ik U in overweging Wijn-
schenk bij U te ontbieden en hem dit voorstel te
doen.
Amst. 11 Jan. / 10
[Ondertekening] * Handschrift: Een verzorgd en goed leesbaar cursief handschrift uit de vroege 20e eeuw. Er zijn twee kleine correcties in de tekst waarbij woorden ('hij' in regel 13 en 'is' in regel 20) boven de regel zijn ingevoegd.
* Taalgebruik: Formeel, ambtelijk Nederlands met de destijds gebruikelijke spelling ("eenige", "den heer", "hetgeen"). De woordkeuze is zakelijk en direct ("diene het volgende", "geef ik U in overweging").
* Kern van de zaak: De koopman J. Wijnschenk is door zijn visuele beperking (driekwart blind) en het overlijden van zijn vrouw niet langer in staat zijn marktplaats volledig zelfstandig te exploiteren. Hij probeert een constructie op te zetten waarbij zijn assistent de zaak overneemt en hijzelf een klein inkomen ("zakgeld") behoudt. De adviseur wijst dit af omdat het feitelijk een ongeoorloofde overdracht van een schaarse publieke standplaats betreft, wat nadelig is voor anderen die op de wachtlijst staan. Dit document werpt licht op de strikte regulering van de Amsterdamse markten aan het begin van de 20e eeuw. Standplaatsen waren gebonden aan persoonlijke vergunningen die niet zomaar onderhands verhandeld of overgedragen mochten worden. De casus illustreert de spanning tussen individuele sociale noden (een blinde oudere man die in zijn levensonderhoud probeert te voorzien) en het algemeen belang van een eerlijk verdeelsysteem van marktplekken. De aanbeveling om de man te "ontbieden" duidt op een hiërarchische verhouding waarbij de gemeente de regie strak in handen hield.