Ambtelijk voorstel / Brief.
Origineel
Ambtelijk voorstel / Brief. 11 mei 1939. De Directeur (van de Centrale Markt, Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). VD/HG.
Extra
77/36/3 M.
1
11 Mei 1939.
Voorstel om aan H. Lut den
toegang tot de Centrale
Markt te ontnemen.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
In bijlage dezes heb ik de eer U een afschrift te doen toekomen van een op 6 Mei jl. door den marktopzichter Buenting opgemaakt rapport, waaruit blijkt, dat H. Lut, Ombilinstraat 11 III, die als personeel van den kooper Looyen toegang tot de Centrale Markt is verleend, zich aldaar op 5 Mei jl. heeft schuldig gemaakt aan diefstal van eenige ledige kisten ten nadeele van den grossier Smeerdijk. Het gestolene vertegenwoordigde een waarde van f 0,90. Ingevolge artikel 35 lid 1 van het Reglement op de Centrale Markt heb ik Lut voornoemd gestraft met ontneming van het recht van toegang tot die markt voor den tijd van veertien dagen, namelijk van 9 tot en met 22 Mei a.s. Ik moge U beleefd verzoeken wel te willen bevorderen, dat hij ingevolge het tweede lid van vorenaangehaald artikel door Burgemeester en Wethouders wordt gestraft met ontneming van het bedoelde recht voor den tijd van zes maanden, zulks met ingang van 23 Mei 1939.
De Directeur, * Inhoud: De directeur van de Centrale Markt rapporteert een incident waarbij een zekere H. Lut (werkzaam bij koper Looyen) betrapt is op het stelen van lege kisten van een grossier. De waarde van de diefstal is gering (f 0,90), maar de disciplinaire gevolgen zijn aanzienlijk.
* Juridische basis: Er wordt verwezen naar Artikel 35 van het Reglement op de Centrale Markt. De directeur heeft zelf de bevoegdheid om een tijdelijke ontzegging van 14 dagen op te leggen (lid 1), maar vraagt het college van B&W om een zwaardere straf van zes maanden (lid 2).
* Toon: De brief is geschreven in de formele, ambtelijke stijl van de jaren dertig ("heb ik de eer U een afschrift te doen toekomen", "Ik moge U beleefd verzoeken").
* Sociale context: De vermelding van het adres (Ombilinstraat 11-III) en de werkgever (Looyen) geeft een inkijkje in de sociale structuur rondom de Amsterdamse markthandel. Dit document stamt uit mei 1939, een jaar voor de Duitse inval in Nederland. De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam waren destijds het kloppend hart van de voedseldistributie in de stad. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een cruciale post, zeker met het oog op de toenemende internationale spanningen en de dreiging van schaarste.
De strikte handhaving van regels, zelfs bij diefstal van objecten met een zeer lage geldwaarde (90 cent, wat destijds echter meer koopkracht vertegenwoordigde dan nu), onderstreept het belang dat werd gehecht aan orde en betrouwbaarheid binnen de muren van de markt. De Ombilinstraat, waar de betrokkene woonde, ligt in de Indische Buurt in Amsterdam-Oost, een typische arbeiderswijk uit die periode.