Concept-brief/nota van een ambtenaar (mogelijk de Inspecteur van de Marktwezen) aan de Wethouder.
Origineel
Concept-brief/nota van een ambtenaar (mogelijk de Inspecteur van de Marktwezen) aan de Wethouder. 18 april 1939 (handgeschreven als 18/4-39). [In de marge/bovenaan in rood:]
schoonl.
05/47/3
[Rechtsboven:]
Concept.
18/4-39
[Paraaf onleesbaar]
[Adres:]
Den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onderwerp:
Aanvulling Reglement op de Markten met een voorschrift inzake het plaatsen van kramen.
Nu sedert enkele maanden de Algemeene Politie Verordening, de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden en het Reglement op de Markten zyn aangevuld met bepalingen betreffende het plaatsen van kramen voor en tydens markttyd en de heffing van het zoogenaamde "kramengeld", blykt in de practyk ~~dat~~ hoewel de regeling in zyn geheel bevredigend werkt, dat enkele personen ~~zyn, aan~~ wien een vergunning krachtens artikel 344 lid 1 sub b juncto artikel 5 der Algemeene Politie Verordening is verleend, trachten de kramenbelasting te ontduiken, door hun materiaal, dat zy aan de marktkooplieden plachten te verhuren, aan dezen in schyn "te verkoopen". Dit geschiedt niet alleen aan hun eigen klanten, doch ook aan de klanten van andere verhuurders; het gevolg hiervan is, dat zy de geheele regeling in gevaar brengen. Daar de orde en de rust op de markten door de practyken van deze enkele verhuurders, ernstig worden verstoord en my op grond van de bestaande bepalingen van het Reglement op de Markten niet voldoende middelen ten dienste staan ~~zyn toegestaan~~ om hieraan paal en perk te stellen, meen ik U te moeten voorstellen dienaangaande het Reglement op de Markten aan te vullen, zooals ik hieronder zal aangeven.
Teneinde U een goed inzicht in het hierboven geschetste euvel te geven, laat ik hieronder de feiten volgen, die ertoe hebben geleid, dat de onderhavige bepalingen zyn ingevoerd.
Zooals uit myn voorstel d.d. 8 November 1937 no. 85/13/1 M en het daarbij gevoegde rapport van den Inspecteur van myn dienst blykt, heerschte er eenige jaren geleden op de verschillende markten, wat het plaatsen van kramen voor markttyd betreft, een ongeregelde toestand, ~~zoodat~~ door iedereen vry was om kramen te plaatsen. Het gevolg was, dat zich een hevige concurrentiestryd ontwikkelde en dat de orde en de rust op de markten herhaaldelyk werden verstoord. Eenige jaren lang zyn onder leiding van den Inspecteur van myn dienst tusschen vertegenwoordigers der kramenverhuurders enerzijds en de marktkooplieden anderzijds besprekingen gevoerd, teneinde tot een prysregeling van de hier ter stede te heffen kramenhuren te geraken. Aan het einde van het jaar 1937 is hieromtrent overeenstemming tusschen beide partyen bereikt, hetgeen tot resultaat heeft gehad, dat op 1 December 1938 de kramenbelasting kon worden ingevoerd.
Zooals uit het hierbovengenoemde rapport van den Inspecteur blykt (bladzyde 5) bestond reeds tydens de onderhandelingen de afspraak tusschen de kramenverhuurders onderling om niet te trachten elkanders klanten af te nemen. Hierdoor werd inderdaad voorkomen, dat er wanordelykheden op de markten plaatsvonden. Dit document is een ambtelijk concept waarin een probleem met de handhaving van marktregels wordt aangekaart. De kern van de zaak is een juridische maas in de wet: kramenverhuurders proberen de nieuwe "kramenbelasting" (ingevoerd in 1938) te omzeilen door hun kramen op papier aan marktkooplieden te "verkopen" in plaats van te verhuren (schijnhandel).
De tekst toont het proces van beleidsvorming:
1. Probleemstelling: Ontduiking van belasting en verstoring van de marktorde.
2. Juridische context: Verwijzing naar de Algemeene Politie Verordening (APV) en specifieke artikelen (art. 344).
3. Historiek: Herinnering aan de chaos op de markten vóór 1937 en de moeizame totstandkoming van prijsafspraken tussen verhuurders en kooplieden.
4. Doel: Het voorstellen van een reglementswijziging om "paal en perk" te stellen aan deze praktijken. De brief dateert van april 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode waren Nederlandse gemeenten druk bezig met het professionaliseren en reguleren van de openbare ruimte en economische activiteiten. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was een specifieke post die toezag op de distributie en verkoop van essentiële goederen, waarbij markten een cruciale rol speelden in de voedselvoorziening van de stad. De genoemde "Inspecteur" is waarschijnlijk het hoofd van de Dienst van het Marktwezen. De spelling is conform de toen geldende normen (bijv. "zyn", "practyk", "prysregeling").