Afschrift van een ambtelijk advies/brief.
Origineel
Afschrift van een ambtelijk advies/brief. 15 maart 1940. De Wethouder voor de Arbeidszaken van de Gemeente Amsterdam (w.g. Kropman). De Wethouder voor de Levensmiddelen. No.8A/25/5 M.1940 20/3 AFSCHRIFT.
No.29/10 L.M.1939
GEMEENTE AMSTERDAM
Afd.Arb.1940
No.131 c
Amsterdam, 15 Maart 1940.
In aansluiting op en ter aanvulling van mijn advies van
15 Februari 1940, No.131 Arb., bericht ik U, met betrekking tot de
door den Directeur van het Marktwezen gevraagde machtiging, om den
machinist in tijdelijken dienst J.van Lunteren een extra-salaris-
verhooging toe te mogen kennen, het volgende.
Genoemde machinist is 39 jaar oud; hij is in April 1935
in dienst getreden bij het Gemeentelijk Bureau voor Maatschappelijken
Steun als informator; op 1 Juni 1937 ging hij over naar het Markt-
wezen. Als informator had hij laatstelijk een salaris van f 1800,-;
thans bedraagt zijn salaris f 2000,-, terwijl hij voorts een toelage
van f 100,- geniet voor afwisselenden dag-, nacht- en Zondagsdienst.
De werklieden, die hij onder zich heeft, zijn ingedeeld
in de IVe, enkele ook in de Ve loonklasse; hun jaarloon (maximum)
bedraagt f 1622,40, respectievelijk f 1697,28.
Aangezien Van Lunteren een geheel andere opleiding zal
hebben gehad dan de werklieden, is een bezoldiging van f 2000,- niet
aan den hoogen kant. Echter moet ook gelet worden op den betrekkelijk
korten diensttijd, en op de salarisgrenzen van de groep (IV), welke
loopen van f 1325,- tot f 2275,-. Alles bijeengenomen, kan ik daarom
niet adviseeren, op den door den Directeur aangevoerden grond, de
gevraagde machtiging te verleenen.
De Wethouder voor de Arbeidszaken,
w.g. Kropman.
Aan den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen.
Kennisgenomen:
De Directeur van het Marktwezen,
w.g. Dr.A.v.d.Laan.
[Handgeschreven onderaan:]
Retour Raadhuis
27/3-'40 [paraaf] Dit document betreft een negatief advies van de Wethouder voor Arbeidszaken (Kropman) over een loonsverhoging voor een specifieke ambtenaar, J. van Lunteren. Van Lunteren werkte als machinist bij het 'Marktwezen'.
De kernpunten van de afweging zijn:
1. Vergelijking met ondergeschikten: Van Lunteren verdient meer (f 2000,- plus toelage) dan de werklieden die hij aanstuurt (f 1622,- tot f 1697,-).
2. Opleiding vs. Ervaring: Hoewel zijn hogere opleiding een hoger salaris rechtvaardigt, vindt de wethouder zijn diensttijd (sinds 1935 bij de gemeente, sinds 1937 bij de huidige afdeling) te kort om nu al een extra verhoging te rechtvaardigen bovenop de schaal waar hij al in zit.
3. Salarisgrenzen: Zijn huidige loon valt al netjes binnen de geldende grenzen van zijn groep (f 1325,- tot f 2275,-).
De conclusie is dat er geen voldoende grond is voor de gevraagde machtiging. Het document dateert van maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. Het biedt een inkijkje in de strikte bureaucratische processen en de zorgvuldige loonpolitiek van de Gemeente Amsterdam in het interbellum.
Interessante details zijn:
* Marktwezen: De afdeling die verantwoordelijk was voor de Amsterdamse markten (zoals de Centrale Markthallen).
* W.C. Kropman: De ondertekenaar was een bekende Amsterdamse RKSP-wethouder.
* Tijdelijke dienst: Ondanks dat Van Lunteren al vijf jaar voor de gemeente werkte, was hij nog steeds in "tijdelijken dienst", wat typerend was voor de toenmalige arbeidsverhoudingen.
* Bedragen: De genoemde bedragen zijn in guldens. Ter referentie: een jaarsalaris van 2000 gulden was in 1940 een redelijk modaal inkomen voor een geschoolde functionaris.