Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 21 november 1940 (stempel van ontvangst/registratie: 23 november 1940). No 25/234/24 M. 1940 23/11 [stempel]
Amsterdam 21/11
Mijnheer
Naar aanleiding van u schrijven van
20/11 No 25/234/8 M. verzoek ik u voor ons
gedupeerde om te bewerkstellen dat
zoo als in utrecht wij mogen ver-
kopen tot zons ondergang de nu
bestaande maat regel is voor ons
moeilijk uitvoerbaar. daar wij tot
de zelfde tijd mogen verkopen
als waar op de markt door ons
verlaten moet zijn volgens mijn
bescheiden mening is de dienst
marktwezen er omdat er kooplieden
zijn die markten bezoeken daarom
verwacht ik van deze dienst allen
gewenschte medewerking om het
mogelijk te maken dat wij ons
brood kunnen verdienen zoo zou
u aan b. en w. kunnen voorstellen
dat het klein levensmiddelen
bedrijf gelijktijdig sloot met
de markten zoo dat het publiek
na de vast gestelde tijd van sluiting
van markten niet naar de winkels moet
gaan bij gelijktijdigen sluiting
zou ieder gebaat zijn en zou het * Inhoud: De schrijver richt zich tot een ambtenaar (vermoedelijk van de Dienst Marktwezen) naar aanleiding van eerdere correspondentie. Namens een groep "gedupeerde" marktkooplieden wordt gepleit voor een verruiming van de verkooptijden.
* Kernprobleem: De huidige regels dwingen kooplieden om te stoppen met verkopen op exact hetzelfde moment dat ze het marktterrein verlaten moeten hebben. Dit maakt een rendabele bedrijfsvoering bijna onmogelijk.
* Voorgestelde oplossing:
1. Verkoop toestaan tot zonsondergang, naar het voorbeeld van Utrecht.
2. De sluitingstijden van het "klein levensmiddelenbedrijf" (winkels) gelijktijdig laten vallen met de markt, zodat klanten niet direct na marktsluiting naar de winkel uitwijken, maar bij de marktkraam blijven kopen.
* Toon: De brief is beleefd doch dringend ("volgens mijn bescheiden mening", "verwacht ik... allen gewenschte medewerking"). De nadruk ligt op de noodzaak om "ons brood te kunnen verdienen". Dit document stamt uit november 1940, de vroege periode van de Duitse bezetting in Nederland. In deze tijd werden distributie en economische regels steeds strenger. Voor marktkooplieden was de situatie precair door schaarste en strikte regulering vanuit de overheid en de gemeente. De verwijzing naar "B. en W." (Burgemeester en Wethouders) duidt op een poging om via de lokale politiek de marktomstandigheden in Amsterdam gelijk te trekken met die in Utrecht. Het verzoek weerspiegelt de economische strijd van kleine zelfstandigen om het hoofd boven water te houden in oorlogstijd.