Ambtsbrief / Officiële correspondentie.
Origineel
Ambtsbrief / Officiële correspondentie. 4 september 1941. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (ondertekend door Guépin). Den Heer Burgemeester (waarschijnlijk van een grote Nederlandse gemeente, gezien de specifieke wethouderspost). [Stempel linksboven:] Nº 10/15/4 M. 1941 6/9
[Handgeschreven rechtsboven:] Markten
[Handgeschreven rechtsboven, onderstreept:] 735
L.M.
472 - 1941.
[Rechtsonder datumstempel:] 4 September 1941.
[Handgeschreven krabbel onder datum, mogelijk:] nu dit ing.
Ten vervolge op mijn schrijven van 6 Juni j.l. No. 472 L.M. doe ik U hierbij toekomen een overzicht van het aantal standplaatsen op de markten, welke gedurende het tijdvak van 7-14 Juni 1941 door niet-ariërs werden bezet.
Door de werkzaamheden in verband met de uitreiking van de persoonsbewijzen, heeft de Administrateur van het Bevolkingsregister eerst nu het volledige resultaat van het onderzoek naar de afstamming van de betreffende personen kunnen mededeelen.
Naar de afkomst van de marktkooplieden buiten deze Gemeente woonachtig, wordt nog een onderzoek ingesteld.
vM
De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
[Handgeschreven handtekening:] (get.) Guépin
den Heer Burgemeester. Dit document is een ambtelijk schrijven waarin verslag wordt gedaan van de uitvoering van anti-Joodse maatregelen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De wethouder rapporteert aan de burgemeester over het aantal marktkooplieden dat als "niet-ariër" is aangemerkt.
De tekst legt een direct verband tussen de invoering van het Persoonsbewijs (ingevoerd in 1941) en het onderzoek naar de "afstamming" door het Bevolkingsregister. Dit was noodzakelijk om vast te stellen wie volgens de nationaalsocialistische rassenwetten als Joods werd beschouwd. De vertraging in de rapportage wordt verklaard door de enorme administratieve werklast die deze bureaucratische uitsluiting met zich meebracht. Het document toont de kille, ambtelijke efficiëntie waarmee de economische isolatie van Joodse burgers werd voorbereid en geregistreerd. In 1941 intensiveerde de bezetter de vervolging van de Joodse bevolking in Nederland. Een cruciaal instrument hierbij was de registratie. In januari 1941 moesten alle personen van "geheel of gedeeltelijk Joodsen bloede" zich laten registreren (Verordening 6/1941). Dit document uit september 1941 is een direct uitvloeisel daarvan.
De term "niet-ariërs" was de officiële nazi-eufemisme voor Joden. Het inventariseren van hun standplaatsen op markten was een opmaat naar de latere intrekking van vergunningen, waardoor Joden hun bron van inkomsten verloren. Dit proces van 'ontjoodsing' van het openbare en economische leven was een noodzakelijke stap in de logistiek van de Holocaust: eerst identificeren, dan isoleren, vervolgens onteigenen en uiteindelijk deporteren. Het feit dat dit door een reguliere gemeentelijke afdeling (Wethouder voor Levensmiddelen) wordt afgehandeld, illustreert de verregaande collaboratie van het Nederlandse overheidsapparaat in die periode.