Handgeschreven verzoekschrift.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift. 18 maart 1941. E. Halisander, Rapenburgerstraat 126 huis, Amsterdam. No 25/36/1 M. 1941 20/3
Adam 18 Maart 1941.
Wel Edd. Heer
Ondergetekende verzoekt u beleefd
hem een paar maanden uitstel te
verleenen om zijn plaats op den
markt Albert Cuypstraat niet
behoefd te bezetten, om redene
alsdat er voorloopig geen handel
te krijgen is, om aan mijn verplichtin-
gen te houden om te staan
Bij voorbaat dank.
U. d. W. d.
E Halisander
Rapenburgerstraat 126 huis
Amsterdam
[Rechtsonder:] 25 De brief is een formeel, maar sober verzoek van een marktkoopman aan de marktautoriteiten. De schrijver, E. Halisander, vraagt om ontheffing van de plicht om zijn standplaats op de Albert Cuypmarkt in te nemen. De aangevoerde reden is economisch: er is "geen handel te krijgen". De schrijver probeert hiermee zijn rechten op de staanplaats te behouden ("om aan mijn verplichtingen te houden om te staan") zonder de kosten of de moeite van het fysiek aanwezig zijn op een markt waar niets te verkopen valt.
De afkorting "U.d.W.d." onderaan staat voor "Uw dienstwillige dienaar", een destijds gebruikelijke formele afsluiting. Het handschrift is duidelijk en de toon is respectvol. De taal bevat enkele archaïsche of licht ongrammaticale constructies ("om redene alsdat"), wat vaker voorkwam in brieven van burgers aan instanties in die tijd. De datum van de brief, 18 maart 1941, is zeer significant. Nederland was op dat moment bijna een jaar bezet door nazi-Duitsland. De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten van Amsterdam.
De afzender woonde in de Rapenburgerstraat, een straat die midden in de historische Joodsche Buurt van Amsterdam ligt. De naam Halisander (ook wel Halizander) is een bekende naam binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam in die periode. Slechts enkele weken voor het schrijven van deze brief vond de Februaristaking plaats, een protest tegen de Jodenvervolging. In deze periode werden de beperkingen voor Joodse ondernemers en marktkooplieden steeds strenger.
De opmerking dat er "geen handel te krijgen is" moet waarschijnlijk gezien worden in het licht van de oorlogsschaarste, distributiemaatregelen en mogelijk de specifieke uitsluiting van Joodse handelaren van bepaalde bronnen van goederen. Deze brief documenteert de dagelijkse overlevingsstrijd en de bureaucratische realiteit voor een Amsterdamse burger in de eerste jaren van de bezetting. E. Halisander