Archief 745
Inventaris 745-36
Pagina 54
Dossier 100
Jaar 1918
Stadsarchief

Officiële circulaire/brief van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel.

26 juli 1918. Van: De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (F.E. Posthuma).

Origineel

Officiële circulaire/brief van het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel. 26 juli 1918. De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (F.E. Posthuma). 1450 № 4129 M. 1913. 31/7 aan Dir.

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NIJVERHEID EN HANDEL.

Nº. 41230.

AFDEELING CRISISZAKEN.
(BUREAU VOLKSVOEDING).

’S-GRAVENHAGE, 26 Juli 1918.

Betreffende levensmiddelen voor spoorwegarbeiders.

Ik heb de eer U mede te deelen, dat mijn aandacht gevestigd is op het feit, dat bij versperring van den spoorweg door ontsporing van materieel, de spoorwegbeambten soms plotseling moeten worden opgeroepen om buiten hunne standplaats den spoorweg zoo spoedig mogelijk weer vrij te maken. In den regel zijn de arbeiders dan niet in de gelegenheid voedsel mede te nemen, zoodat de betrokken spoorwegmaatschappijen genoodzaakt zijn zelf in die voedselverstrekking te voorzien.

Waar gevallen als hierbedoeld zich slechts sporadisch zullen voordoen en er derhalve met die verstrekking slechts geringe hoeveelheden levensmiddelen gemoeid zijn, ben ik van meening, dat het groote belang van een geregeld en onbelemmerd verkeer het zeer gewenscht maakt, dat de spoorwegmaatschappijen van gemeentewege tot bedoelde verstrekkingen, welke zonder afgifte van bons zouden kunnen plaats hebben, in staat worden gesteld.

Ik verzoek U derhalve bij voorkomende gelegenheid op aanvrage van den stationschef de benoodigde levensmiddelen beschikbaar te doen stellen. Naar ik vertrouw, zullen de overschotten van de aan Uwe gemeente toegewezen rantsoenen voldoende zijn om hieraan gevolg te geven; de geringe hoeveelheden en het sporadisch karakter van deze verstrekkingen maken het althans onmogelijk om hiervoor extra toewijzingen aan de gemeenten te doen toezenden.

De Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel,
POSTHUMA.

Aan
Heeren Burgemeesters In deze brief verzoekt Minister Posthuma de burgemeesters om medewerking bij de voedselvoorziening van spoorwegpersoneel tijdens noodsituaties. De kern van het schrijven is dat spoorwegarbeiders die plotseling worden opgeroepen voor herstelwerkzaamheden (zoals bij ontsporingen), voedsel moeten kunnen krijgen van de gemeente zonder dat zij daarvoor de op dat moment verplichte distributiebonnen hoeven in te leveren.

De minister voert aan dat een onbelemmerd spoorverkeer van nationaal belang is. Omdat deze situaties onvoorspelbaar en zeldzaam zijn, en de hoeveelheid voedsel beperkt is, moeten gemeenten dit uit hun eigen overschotten/voorraden oplossen. Er worden geen extra rijksrantsoenen voor dit doel beschikbaar gesteld aan de gemeenten. Dit document stamt uit de eindfase van de Eerste Wereldoorlog (juli 1918). Hoewel Nederland neutraal was, heerste er een ernstige schaarste aan grondstoffen en voedsel door de internationale blokkades. Dit leidde tot een streng distributiestelsel met bonkaarten (het 'Systeem-Posthuma').

Minister Folkert Posthuma was verantwoordelijk voor dit beleid, wat hem zeer impopulair maakte bij de bevolking (denk aan het aardappeloproer van 1917). De brief illustreert de pragmatische, maar ook strikte manier waarop de overheid omging met de schaarse middelen: vitale infrastructuur (het spoor) kreeg voorrang, maar de gemeenten moesten het wel zelf zien te regelen binnen de bestaande krappe marges. Het document toont de enorme logistieke druk waaronder de Nederlandse samenleving in de oorlogsjaren gebukt ging.

Samenvatting

In deze brief verzoekt Minister Posthuma de burgemeesters om medewerking bij de voedselvoorziening van spoorwegpersoneel tijdens noodsituaties. De kern van het schrijven is dat spoorwegarbeiders die plotseling worden opgeroepen voor herstelwerkzaamheden (zoals bij ontsporingen), voedsel moeten kunnen krijgen van de gemeente zonder dat zij daarvoor de op dat moment verplichte distributiebonnen hoeven in te leveren.

De minister voert aan dat een onbelemmerd spoorverkeer van nationaal belang is. Omdat deze situaties onvoorspelbaar en zeldzaam zijn, en de hoeveelheid voedsel beperkt is, moeten gemeenten dit uit hun eigen overschotten/voorraden oplossen. Er worden geen extra rijksrantsoenen voor dit doel beschikbaar gesteld aan de gemeenten.

Historische Context

Dit document stamt uit de eindfase van de Eerste Wereldoorlog (juli 1918). Hoewel Nederland neutraal was, heerste er een ernstige schaarste aan grondstoffen en voedsel door de internationale blokkades. Dit leidde tot een streng distributiestelsel met bonkaarten (het 'Systeem-Posthuma').

Minister Folkert Posthuma was verantwoordelijk voor dit beleid, wat hem zeer impopulair maakte bij de bevolking (denk aan het aardappeloproer van 1917). De brief illustreert de pragmatische, maar ook strikte manier waarop de overheid omging met de schaarse middelen: vitale infrastructuur (het spoor) kreeg voorrang, maar de gemeenten moesten het wel zelf zien te regelen binnen de bestaande krappe marges. Het document toont de enorme logistieke druk waaronder de Nederlandse samenleving in de oorlogsjaren gebukt ging.

Gerelateerde Documenten 6