Officieel afschrift van een besluit van de burgemeester.
Origineel
Officieel afschrift van een besluit van de burgemeester. 29 mei 1942. [Linksboven, handgeschreven:] 39/65/148
[Gedrukt/getypt:] Afschrift
No. 223 L. M. 1942 [Midden boven, handgeschreven:] 4/6
[Wapen van Amsterdam]
[Rechtsboven, handgeschreven initialen en paraaf in rood]
DE BURGEMEESTER VAN AMSTERDAM,
Heeft goedgevonden de aan J. De Haan, wonende Gelderschekade 100 hs, bij beschikking dd. 13 Juli 1940, no. 5/287 L.M. verleende vergunning tot het innemen van een vaste standplaats, ten verkoop van gedroogde-, gerookte- en gezouten visch, op den openbaren weg, op ’t niet verhoogde voetpad aan den Zwanenburgwal, tegen de brugleuning tegenover perceel St. Anthoniesbreestraat 81, bij deze, gerekend te zijn ingegaan 13 Januari 1942, in te trekken.
GM
Amsterdam, 29 Mei 1942.
De Burgemeester voornoemd,
(get.) Voute
De Gemeentesecretaris,
(get.) J. F. FRANKEN
[Linksonder:] K 350 Dit document is een administratieve vastlegging van het intrekken van een markt- of standplaatsvergunning. De vergunninghouder is J. De Haan, die vis verkocht (gedroogd, gerookt en gezouten) op de hoek van de Zwanenburgwal en de Sint Anthoniesbreestraat.
Opvallende details in de tekst:
* Retroactieve werking: Hoewel het besluit op 29 mei 1942 is opgesteld, gaat de intrekking met terugwerkende kracht in op 13 januari 1942.
* Ondertekening: Het besluit is genomen door de collaborerende burgemeester Edward Voûte, die door de Duitse bezetter was aangesteld.
* Locatie: De locatie van de standplaats (nabij de Sint Anthoniesbreestraat) lag in het hart van de toenmalige Jodenbuurt van Amsterdam. Dit document moet worden gelezen in de context van de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de loop van 1941 en 1942 vaardigde de Duitse bezetter via het Nederlandse bestuur talloze verordeningen uit die het voor Joodse burgers onmogelijk maakten om hun beroep of bedrijf uit te oefenen.
De datum van de intrekking (13 januari 1942) is saillant: dit was de periode waarin de bezetter begon met het systematisch verwijderen van Joden uit de economie ("Entjudung"). Joodse straathandelaren verloren hun vergunningen en standplaatsen. De vergunninghouder, J. De Haan (waarschijnlijk Jacob de Haan), was naar alle waarschijnlijkheid een Joodse ondernemer. Het intrekken van deze vergunning betekende de onmiddellijke ontneming van zijn bron van inkomsten. Dergelijke bureaucratische documenten vormden de legale façade voor de onteigening en uitsluiting die voorafgingen aan de deportaties. J. De Gemeente Amsterdam