Archief 745
Inventaris 745-382
Pagina 371
Dossier 25
Jaar 1942
Stadsarchief

Officiële correspondentie/dienstbrief.

8 juni 1942. Van: De Directeur van het Marktwezen Amsterdam (gevestigd aan de Jan van Galenstraat 14).

Origineel

Officiële correspondentie/dienstbrief. 8 juni 1942. De Directeur van het Marktwezen Amsterdam (gevestigd aan de Jan van Galenstraat 14). [Gedrukte tekst briefhoofd]
A.Z. Model No. 8a-5000-6-'40-1070
Marktwezen Amsterdam
Jan van Galenstraat 14 (West)
VB/HG.
Telefoon 85151
Aan: Mw.de Wed.J.Dootjes,
Commelinstraat 118,
Amsterdam-Oost.
Wijk 18.

Verzoeke bij beantwoording datum en nummer van dezen brief te vermelden
No: 46A/306/2 M. Bijlagen:
Datum: 8 Juni 1942.
Onderwerp:

[Getypte inhoud]
Mij is gerapporteerd, dat U de op 27 Mei jl. aan U op den Vischafslag alhier toegewezen 20 ½kg. gerookte aal niet op Uw plaats aan de markt Dapperstraat heeft verkocht. U heeft zich derhalve niet gehouden aan het bepaalde in artikel 7 van het Tweede Uitvoeringsbesluit van het Visscherijbesluit 1941; ingevolge artikel 11 van dit besluit sluit ik U mitsdien uit voor 4 beurten van de verdeeling van zoetwatervisch, enz. op den afslag aan de Vischmarkt alhier.

De Directeur,
[Handtekening]

[Handgeschreven aantekeningen linkerzijde]
Wist niet dat des Zaterdags markt werd gehouden.
Heeft haar aal voor haar woning verkocht.
M.i. voor deze keer uitsluiting opschorten.
12-6-42 [initialen]

[Handgeschreven aantekeningen rechterzijde]
[paraaf]
opbergen
24-6-42
[initialen]
4 beurten uitsluiting zijn nu wel voorbij, dus laten loopen!
[rode paraaf] Dit document is een formeel dwangmiddel van de gemeente Amsterdam tegen een markthandelaar tijdens de Duitse bezetting. Mevrouw Dootjes, een weduwe die waarschijnlijk een kraam had op de Dappermarkt, wordt gestraft omdat zij 20,5 kilo gerookte paling niet op haar toegewezen standplaats heeft verkocht, maar bij haar eigen woning.

De brief illustreert de strikte reglementering van de voedselvoorziening. De straf is administratief: zij wordt voor vier distributierondes uitgesloten van de toewijzing van zoetwatervis.

Interessant zijn de handgeschreven kanttekeningen, die een inkijkje geven in de bureaucratische afhandeling en een zekere mate van clementie of pragmatisme tonen:
1. Verweer: Op 12 juni wordt genoteerd dat de vrouw beweerde niet te weten dat er op zaterdag markt was en de vis daarom bij haar huis verkocht. Er wordt geadviseerd de straf op te schorten.
2. Besluit: Tegen de tijd dat de zaak definitief wordt beoordeeld (24 juni), merkt een ambtenaar op dat de vier beurten uitsluiting waarschijnlijk al verstreken zijn. Men besluit de zaak daarom "te laten loopen" (te laten vallen) en het dossier op te bergen. De brief dateert uit juni 1942, een kritieke fase in de Tweede Wereldoorlog. Nederland verkeerde onder strikt regime van de Duitse bezetter. De distributie van schaarse goederen, waaronder vis, was volledig gecentraliseerd en aan strenge regels gebonden ("Visscherijbesluit 1941") om de zwarte handel tegen te gaan en de voedselstroom te controleren.

De Dapperbuurt was in die tijd een levendige maar arme volksbuurt met veel Joodse bewoners en handelaren. In 1942 werden de beperkingen voor Joodse marktkooplieden steeds draconischer; zij werden systematisch uitgesloten van de markten. Hoewel uit dit document niet direct blijkt of mevrouw Dootjes Joods was, vond deze administratieve correctie plaats in een klimaat van extreme overheidscontrole op elke kilo voedsel die de stad binnenkwam. De bureaucratische precisie (20 ½ kg aal) is kenmerkend voor de efficiëntie waarmee de bezettingseconomie werd beheerd.

Samenvatting

Dit document is een formeel dwangmiddel van de gemeente Amsterdam tegen een markthandelaar tijdens de Duitse bezetting. Mevrouw Dootjes, een weduwe die waarschijnlijk een kraam had op de Dappermarkt, wordt gestraft omdat zij 20,5 kilo gerookte paling niet op haar toegewezen standplaats heeft verkocht, maar bij haar eigen woning.

De brief illustreert de strikte reglementering van de voedselvoorziening. De straf is administratief: zij wordt voor vier distributierondes uitgesloten van de toewijzing van zoetwatervis.

Interessant zijn de handgeschreven kanttekeningen, die een inkijkje geven in de bureaucratische afhandeling en een zekere mate van clementie of pragmatisme tonen:
1. Verweer: Op 12 juni wordt genoteerd dat de vrouw beweerde niet te weten dat er op zaterdag markt was en de vis daarom bij haar huis verkocht. Er wordt geadviseerd de straf op te schorten.
2. Besluit: Tegen de tijd dat de zaak definitief wordt beoordeeld (24 juni), merkt een ambtenaar op dat de vier beurten uitsluiting waarschijnlijk al verstreken zijn. Men besluit de zaak daarom "te laten loopen" (te laten vallen) en het dossier op te bergen.

Historische Context

De brief dateert uit juni 1942, een kritieke fase in de Tweede Wereldoorlog. Nederland verkeerde onder strikt regime van de Duitse bezetter. De distributie van schaarse goederen, waaronder vis, was volledig gecentraliseerd en aan strenge regels gebonden ("Visscherijbesluit 1941") om de zwarte handel tegen te gaan en de voedselstroom te controleren.

De Dapperbuurt was in die tijd een levendige maar arme volksbuurt met veel Joodse bewoners en handelaren. In 1942 werden de beperkingen voor Joodse marktkooplieden steeds draconischer; zij werden systematisch uitgesloten van de markten. Hoewel uit dit document niet direct blijkt of mevrouw Dootjes Joods was, vond deze administratieve correctie plaats in een klimaat van extreme overheidscontrole op elke kilo voedsel die de stad binnenkwam. De bureaucratische precisie (20 ½ kg aal) is kenmerkend voor de efficiëntie waarmee de bezettingseconomie werd beheerd.

Gerelateerde Documenten 6