Archief 745
Inventaris 745-389
Pagina 406
Dossier 104
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtelijke correspondentie / Adviesnota.

16 juni 1942. Van: Waarschijnlijk de directie van de Markthallen ("M. Hall").

Origineel

Ambtelijke correspondentie / Adviesnota. 16 juni 1942. Waarschijnlijk de directie van de Markthallen ("M. Hall"). [Linksboven in potlood/pen:]
kwijtschelding
[doorstreept: onleesbaar]
plaatsgeld
C.M.

[Rechtsboven:]
A’dam, 16/6 1942
M. Hall. [onderstreept]

[In rood potlood/pen:]
66/10/7
20/6/42 [geparafeerd]

[Tekst:]
Hierneve heb ik de eer u te
berichten, dat de Joodsche grossier
M. Agsteribbe (Pretoriusstr. 16hs), alhier
die voor het kalenderjaar 1942
een plaats heeft ingenomen in de hal
op de C.M. à f. 500.- per jaar mij
heeft medegedeeld, dat hij deze markt
sedert einde April '42 niet meer heeft be-
zocht, omdat hij geen handel meer
kan krijgen (hij handelde uitsluitend
in fruit); hij verzocht daarom hem
per 1 Mei 1942 kwijtschelding te
verleenen van het nog verschuldigde
marktgeld, welk verzoek mij billijk voorkomt.

Indien Agsteribbe het marktgeld
per maand zou hebben voldaan, zou hij
4 x 50.- = f. 200.- hebben betaald; ik geef
U ed. daarom beleefd in overweging te
willen bevorderen, dat bij besluit van
den B.M. aan Agster. kwijtschelding van
marktgeld wordt verleend tot een bedrag van
f 300.- zulks op grond van billijkheid,
overeenkomstig het bepaalde in art. 10
van de Verord. op Heffing enz. [geparafeerd] Dit document is een ambtelijk advies betreffende een verzoek van een marktkoopman om ontheffing van marktgeld. De kernpunten zijn:
* Economische uitsluiting: De Joodse grossier M. Agsteribbe kan vanaf eind april 1942 "geen handel meer krijgen". Gezien de datum (juni 1942) is dit een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter, die Joodse handelaren de toegang tot voorraden en markten steeds verder onmogelijk maakten.
* Financiële details: Het jaarlijkse marktgeld voor de Centrale Markt (C.M.) bedroeg 500 gulden. De ambtenaar stelt voor om de resterende 300 gulden (voor de maanden mei t/m december) kwijt te schelden, aangezien de man na april geen gebruik meer kon maken van zijn plek.
* Terminologie: Het gebruik van de term "Joodsche grossier" is typerend voor de administratie tijdens de bezetting, waarbij de identiteit van burgers expliciet werd vastgelegd.
* Besluitvorming: Het verzoek wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Burgemeester (B.M.), steunend op het principe van "billijkheid" (redelijkheid). Dit document biedt een aangrijpende blik op de bureaucratische afhandeling van de economische vernietiging van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl de bezetter wetten uitvaardigde om Joden uit het openbare leven en de economie te weren, bleef het ambtelijk apparaat (zoals de administratie van de Centrale Markt) de administratieve gevolgen daarvan afhandelen.

Maurits Agsteribbe (geboren in 1891) woonde inderdaad in de Pretoriusstraat 16 in de Transvaalbuurt, een wijk die destijds grotendeels door Joodse Amsterdammers werd bewoond. Uit archiefbronnen blijkt dat hij en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd; hij werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit schijnbaar banale document over 300 gulden marktgeld markeert het moment waarop zijn levensonderhoud hem werd ontnomen, vlak voordat de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam in de zomer van 1942 begonnen.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijk advies betreffende een verzoek van een marktkoopman om ontheffing van marktgeld. De kernpunten zijn:
* Economische uitsluiting: De Joodse grossier M. Agsteribbe kan vanaf eind april 1942 "geen handel meer krijgen". Gezien de datum (juni 1942) is dit een direct gevolg van de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter, die Joodse handelaren de toegang tot voorraden en markten steeds verder onmogelijk maakten.
* Financiële details: Het jaarlijkse marktgeld voor de Centrale Markt (C.M.) bedroeg 500 gulden. De ambtenaar stelt voor om de resterende 300 gulden (voor de maanden mei t/m december) kwijt te schelden, aangezien de man na april geen gebruik meer kon maken van zijn plek.
* Terminologie: Het gebruik van de term "Joodsche grossier" is typerend voor de administratie tijdens de bezetting, waarbij de identiteit van burgers expliciet werd vastgelegd.
* Besluitvorming: Het verzoek wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Burgemeester (B.M.), steunend op het principe van "billijkheid" (redelijkheid).

Historische Context

Dit document biedt een aangrijpende blik op de bureaucratische afhandeling van de economische vernietiging van de Joodse bevolking in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Terwijl de bezetter wetten uitvaardigde om Joden uit het openbare leven en de economie te weren, bleef het ambtelijk apparaat (zoals de administratie van de Centrale Markt) de administratieve gevolgen daarvan afhandelen.

Maurits Agsteribbe (geboren in 1891) woonde inderdaad in de Pretoriusstraat 16 in de Transvaalbuurt, een wijk die destijds grotendeels door Joodse Amsterdammers werd bewoond. Uit archiefbronnen blijkt dat hij en zijn gezin de oorlog niet hebben overleefd; hij werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit schijnbaar banale document over 300 gulden marktgeld markeert het moment waarop zijn levensonderhoud hem werd ontnomen, vlak voordat de grootschalige deportaties vanuit Amsterdam in de zomer van 1942 begonnen.

Locaties

Amsterdam ("A'dam").

Gerelateerde Documenten 3