Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie.
Origineel
Dienstbrief / Ambtelijke correspondentie. Marktwezen-Amsterdam (ondertekend door de Directeur). MARKTWEZEN-AMSTERDAM.
AMSTERDAM, 12 December 1941.
Jan van Galenstraat 14.
AAN
No. 46A/51/6 M
In verband met de ariseeringsplannen voor de Vischmarkt alhier, heb ik de eer U in bylage dezes te doen toekomen aanvragen voor inlichtingen uit het Bevolkingsregister ten name van koopers op die markt, met beleefd verzoek te doen nagaan wie van hen als Jood in den zin der Verordening No. 4/1940 van den Rykscommissaris moeten worden aangemerkt.
Het voor deze inlichtingen verschuldigde bedrag werd heden aan U overgemaakt.
De Directeur, Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische precisie waarmee de Jodenvervolging tijdens de bezetting werd uitgevoerd. De kern van de brief is het verzoek van de Dienst Marktwezen aan (vermoedelijk) de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters om persoonsgegevens te controleren.
De toon is uiterst formeel en beleefd ("heb ik de eer U", "met beleefd verzoek"), wat schril afsteekt tegen de gruwelijke implicaties van de inhoud. Het proces van 'arisering' hield in dat Joodse ondernemers en handelaren uit het economische leven werden gestoten. In dit geval gaat het om de 'koopers' (handelaren) op de Amsterdamse vismarkt.
Juridisch leunt de brief op Verordening No. 4/1940 (uitgevaardigd op 22 oktober 1940). Dit was de beruchte verordening waarin de definitie van 'Jood' werd vastgelegd op basis van afkomst (grootouders). Deze verordening vormde de wettelijke basis voor de verdere uitsluiting en uiteindelijke deportatie van de Joodse bevolking. In december 1941, de datum van deze brief, was de bezettingsmacht al anderhalf jaar bezig met het stapsgewijs isoleren van de Joodse gemeenschap. Amsterdam, als stad met de grootste Joodse populatie in Nederland, was het brandpunt van deze maatregelen.
De Jan van Galenstraat 14 was het adres van de Centrale Markthallen, het administratieve centrum van de Amsterdamse markthandel. Dat een reguliere gemeentelijke dienst als Marktwezen zo nauwgezet meewerkte aan de ariseringsplannen, illustreert hoe de Nederlandse ambtenarij geïntegreerd raakte in het nationaalsocialistische vervolgingsapparaat. De administratieve afwikkeling (het vermelden dat de leges voor de inlichtingen reeds zijn betaald) toont aan dat dit soort uitsluitingsmaatregelen als een routineuze, ambtelijke procedure werden behandeld.
Samenvatting
Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische precisie waarmee de Jodenvervolging tijdens de bezetting werd uitgevoerd. De kern van de brief is het verzoek van de Dienst Marktwezen aan (vermoedelijk) de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters om persoonsgegevens te controleren.
De toon is uiterst formeel en beleefd ("heb ik de eer U", "met beleefd verzoek"), wat schril afsteekt tegen de gruwelijke implicaties van de inhoud. Het proces van 'arisering' hield in dat Joodse ondernemers en handelaren uit het economische leven werden gestoten. In dit geval gaat het om de 'koopers' (handelaren) op de Amsterdamse vismarkt.
Juridisch leunt de brief op Verordening No. 4/1940 (uitgevaardigd op 22 oktober 1940). Dit was de beruchte verordening waarin de definitie van 'Jood' werd vastgelegd op basis van afkomst (grootouders). Deze verordening vormde de wettelijke basis voor de verdere uitsluiting en uiteindelijke deportatie van de Joodse bevolking.
Historische Context
In december 1941, de datum van deze brief, was de bezettingsmacht al anderhalf jaar bezig met het stapsgewijs isoleren van de Joodse gemeenschap. Amsterdam, als stad met de grootste Joodse populatie in Nederland, was het brandpunt van deze maatregelen.
De Jan van Galenstraat 14 was het adres van de Centrale Markthallen, het administratieve centrum van de Amsterdamse markthandel. Dat een reguliere gemeentelijke dienst als Marktwezen zo nauwgezet meewerkte aan de ariseringsplannen, illustreert hoe de Nederlandse ambtenarij geïntegreerd raakte in het nationaalsocialistische vervolgingsapparaat. De administratieve afwikkeling (het vermelden dat de leges voor de inlichtingen reeds zijn betaald) toont aan dat dit soort uitsluitingsmaatregelen als een routineuze, ambtelijke procedure werden behandeld.