Archiefdocument
Origineel
20 juni 1942. De Directeur (van de Centrale Markt Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). [Rechtsboven, handgeschreven:]
A. Nuijten
VD/HG.
[Hoofdtekst:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
66/10/4 M. 20 Juni 1942.
Kwijtschelding plaatsgeld
Centrale Markt.
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat de Joodsche gros-
sier M. Agsteribbe, Pretoriusstraat 6, alhier, die voor het kalender-
jaar 1942 een plaats heeft ingenomen in de hal op de Centrale Markt
à ƒ 500,- per jaar mij heeft medegedeeld, dat hij deze markt sedert
einde April 1942 niet meer heeft bezocht, omdat hij geen handel
meer kon krijgen (hij handelde uitsluitend in fruit); hij verzoekt
daarom hem per 1 Mei 1942 kwijtschelding te verleenen van het nog
verschuldigde marktgeld, welk verzoek mij billijk voorkomt.
Indien Agsteribbe het marktgeld per maand zou hebben vol-
daan, zou hij 4 x ƒ 50,- = ƒ 200,- hebben betaald; ik geef U daarom
beleefd in overweging te willen bevorderen, dat bij besluit van den
Burgemeester aan Agsteribbe kwijtschelding van marktgeld wordt ver-
leend tot een bedrag van ƒ 300,- zulks op gronden van billijkheid,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van de Verordening op de
Heffing van markt-, standplaats- en ventgelden.
De Directeur,
[Linksonder, handgeschreven:]
genoteerd
in dit boek Dit document is een ambtelijk advies over de financiële afwikkeling van een marktstandplaats van een Joodse ondernemer.
* Betrokkene: Het betreft Mozes Agsteribbe, een fruithandelaar gevestigd aan de Pretoriusstraat 6 te Amsterdam.
* Kern van de zaak: Agsteribbe heeft aangegeven zijn handel sinds eind april 1942 te hebben moeten staken omdat hij "geen handel meer kon krijgen". Dit wijst direct op de beperkingen die de bezetter oplegde aan Joodse handelaren en de onmogelijkheid voor hen om nog goederen in te kopen.
* Financiële afwikkeling: De jaarlijkse kosten voor zijn plaats in de markthal bedroegen 500 gulden. De directeur stelt voor om de resterende 300 gulden kwijt te schelden op basis van "billijkheid", aangezien Agsteribbe de standplaats niet meer kan gebruiken.
* Juridisch kader: Er wordt verwezen naar de Verordening op de Heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, specifiek artikel 10, om de bevoegdheid van de Burgemeester voor deze kwijtschelding te onderbouwen. Het document biedt een schrijnend inkijkje in de bureaucratische realiteit van de Jodenvervolging in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog.
* Economische uitsluiting: In juni 1942 was de uitsluiting van Joden uit het economische leven in volle gang. Door middel van "arisering" en leveringsverboden werden Joodse ondernemers systematisch verstikt. De opmerking dat hij "geen handel meer kon krijgen" is hier een direct gevolg van.
* Centrale Markt: De Amsterdamse Centrale Markthallen waren een knooppunt van Joodse economische activiteit. Veel Joodse grossiers waren hier gevestigd. Documenten zoals deze markeren het moment waarop zij gedwongen werden hun bedrijfsvoering te beëindigen.
* Lot van de betrokkene: Mozes Agsteribbe (geboren op 14 januari 1891) heeft de Holocaust niet overleefd. Uit historische bronnen (zoals Joods Monument) blijkt dat hij op 21 mei 1943 is vermoord in vernietigingskamp Sobibor. Dit ambtelijke schrijven vormt daarmee een spoor van de laatste maanden van zijn maatschappelijke bestaan in Amsterdam.
* Ambtelijke toon: De brief is opgesteld in een neutrale, formele stijl. Hoewel de directeur "billijkheid" betracht in de financiële afhandeling, wordt de tragische achtergrond van de situatie — de systematische vervolging van een burger — in feite gereduceerd tot een administratieve kwestie over standplaatsgelden. A. Nuijten M. Agsteribbe