Getypte ambtelijke brief/correspondentie.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/correspondentie. 28 Augustus 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt in Amsterdam). M/HB.
den Heer Administrateur van de Afdeeling Assurantiezaken en Wettelijke Aansprakelijkheid,
Raadhuis,
A l h i e r .
66/11/6 M. 28 Augustus 1942.
De grossier M. Presser, Marnixstraat 202, die voor het kalenderjaar 1942 een plaats in de hal op de Centrale Markt heeft gehuurd en daarvoor een bedrag schuldig was van f 500,-
heeft krachtens het besluit van den Burgemeester van 5 Juni 1942 No. 55/11 L.M.1942 op gronden van billijkheid kwijtschelding van marktgeld verkregen tot een bedrag, groot " 300,-
-------
Hij moest dus betalen f 200,-
In totaal werd door hem voldaan " 146,68
-------
Zoodat hij nog schuldig is f 53,32
=======
Door mijn dienst werd hij op 11 Augustus 1942 schriftelijk tot betaling van het laatstgenoemde bedrag aangemaand.
M. Presser heeft mij thans schriftelijk verzocht om hem ook het restant van zijn schuld à f 53,32 kwijt te schelden. Zijn verzoek geeft mij echter geen aanleiding om een voorstel in dien zin aan den Burgemeester te doen.
Krachtens besluit van 29 Augustus 1941 No. I B/13 D van den toenmaligen Regeeringscommissaris stel ik deze vordering bij deze in Uw handen en ik verzoek U beleefd eventueele betalingen op de rekening No. 74 van de Centrale Markt bij het Gemeentelijk Girokantoor te doen overschrijven.
De Directeur, Dit document is een formele ambtelijke kennisgeving over een openstaande schuld van een marktkoopman (grossier) aan de gemeente Amsterdam. De structuur is zeer zakelijk en bevat een precieze financiële afrekening.
Opvallend is de eerdere "billijkheid" waarmee een groot deel van de schuld (f 300,- van de f 500,-) al was kwijtgescholden door de burgemeester. De directeur van de markt weigert echter om voor de resterende f 53,32 nogmaals een verzoek tot kwijtschelding in te dienen, ondanks een schriftelijk verzoek van de schuldenaar. De vordering wordt hierdoor formeel overgedragen aan de afdeling die belast is met wettelijke aansprakelijkheid en incasso. Het taalgebruik is kenmerkend voor de Nederlandse bureaucratie van die tijd ("Alhier", "in dien zin", "krachtens besluit"). De brief dateert van augustus 1942, een kritieke periode tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De naam van de schuldenaar, M. Presser, is in deze context zeer beladen. Presser is een veelvoorkomende Joodse familienaam. Gezien de locatie (de Centrale Markt in Amsterdam, waar veel Joodse handelaren werkten) is het nagenoeg zeker dat dit een Joodse grossier betrof.
In 1942 was de uitsluiting van Joden uit het economische leven door de nazi's in een vergevorderd stadium. Sinds juli 1942 waren de grootschalige deportaties naar de kampen in het oosten begonnen. De weigering van de directeur om voor een relatief klein bedrag van f 53,32 nogmaals coulant te zijn, moet mogelijk gezien worden in het licht van de toenemende druk op ambtenaren om Joodse burgers geen enkele faciliteit meer te verlenen. De verwijzing naar de "Regeeringscommissaris" herinnert aan het feit dat de democratische gemeenteraad was ontbonden en de stad werd bestuurd door een door de bezetter benoemde regeringscommissaris (burgemeester Edward Voûte). Dit document illustreert hoe de ambtelijke molens onverstoorbaar doorwerkten, zelfs terwijl de personen over wie het ging hun leven niet meer zeker waren.