Archief 745
Inventaris 745-404
Pagina 61
Dossier 100
Jaar 1943
Stadsarchief

Afschrift van een ambtelijke brief met een opgenomen telegramtekst.

29 juli 1943. Van: De Stadsingenieur (E. van Heemskerck van Beest), tevens voorzitter van de Kleine Benzinecommissie, en de Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte). Aan: De Burgemeester van Amsterdam (brief) / De Secretaris-Generaal van het Departement van Waterstaat te Utrecht (telegram).

Origineel

Afschrift van een ambtelijke brief met een opgenomen telegramtekst. 29 juli 1943. De Stadsingenieur (E. van Heemskerck van Beest), tevens voorzitter van de Kleine Benzinecommissie, en de Burgemeester van Amsterdam (E.J. Voûte). De Burgemeester van Amsterdam (brief) / De Secretaris-Generaal van het Departement van Waterstaat te Utrecht (telegram). Afschrift

Den Heer Burgemeester van
Amsterdam,
Raadhuis,
Alhier.

29 Juli 1943.
S.I.3976/115

Ingevolge Uw opdracht dd. 28 dezer heb ik aan den bedrijfsleider van de Centrale Markt (Sub-agentschap van den Autobevrachtingsdienst) coupons verstrekt voor het betrekken van 4000 m3 samengeperst lichtgas, hoofdzakelijk ten behoeve van het vervoer van groenten van de tuinderijen naar de veiling op de Centrale Markt.
Tevens heb ik in Uw opdracht het onderstaande telegram ter zake verzonden.
De Stadsingenieur,
Voorzitter Kleine Benzinecommissie,
w.g. E. van Heemskerck van Beest.

Telegram:
"Secretaris-Generaal van het Departement van
"Waterstaat, Utrecht, Janskerkhof.
"Rijksverkeersinspectie Amsterdam heeft na overleg
"met Uw Departement aanvraag supletie-toewijzing
"persgas voor groentenvervoer door tuinders
"afgewezen. Voorgestelde inschakeling van generator-
"auto's via Autobevrachtingsdienst is onuitvoerbaar.
"Beslissing is onaanvaardbaar wegens dringende nood-
"zaak van aanvoer van groenten via veiling in plaats
"van rechtstreeksche verkoop door tuinders aan
"publiek en gezien bekend slechte groentepositie.
" Voûte
" Burgemeester van Amsterdam. Het document illustreert de logistieke problemen en de schaarste aan brandstoffen in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kernpunten zijn:

  1. Brandstofschaarste: Omdat benzine uiterst schaars was, werd er uitgeweken naar alternatieven zoals "samengeperst lichtgas" (persgas) en houtgasgeneratoren ("generator-auto's").
  2. Conflict over toewijzing: Er is een duidelijk conflict tussen de gemeente Amsterdam en de nationale Rijksverkeersinspectie. De inspectie heeft een extra toewijzing van gas geweigerd en stelde voor om houtgas-vrachtwagens in te zetten, wat volgens de gemeente onuitvoerbaar is.
  3. Voedselvoorziening: De burgemeester benadrukt dat zonder deze brandstof de officiële aanvoer via de veiling in gevaar komt. Als tuinders direct aan het publiek gaan verkopen (buiten het gecontroleerde distributiesysteem om), verslechtert de toch al penibele "groentepositie" (voedselvoorraad) van de stad.
  4. Controle: De nadruk op verkoop via de veiling wijst op de pogingen van de overheid (onder toezicht van de bezetter) om de voedselstroom volledig te beheersen en de zwarte handel in te dammen. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Edward Voûte was de door de Duitsers aangestelde regeringscommissaris/burgemeester van Amsterdam.

In 1943 was de schaarste aan alles – van brandstof tot voedsel – nijpend geworden. De Wehrmacht vorderde de meeste vloeibare brandstoffen voor de oorlogsvoering. Civiel transport was nagenoeg volledig afhankelijk van distributiebonnen en alternatieve brandstoffen. De "Kleine Benzinecommissie" was een lokaal orgaan dat over de uiterst beperkte voorraden voor essentieel stadsverkeer besliste.

De Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center aan de Jan van Galenstraat) was het kloppend hart van de Amsterdamse voedseldistributie. De angst van het stadsbestuur voor "rechtstreeksche verkoop door tuinders aan publiek" was ingegeven door de wens om de rantsoenering te handhaven en te voorkomen dat voedsel enkel nog via de zwarte markt tegen woekerprijzen beschikbaar zou zijn voor de rijkere burgers, terwijl de algemene bevolking honger leed. De genoemde "slechte groentepositie" zou in de daaropvolgende jaren alleen maar verergeren, culminerend in de Hongerwinter van 1944-1945.

Samenvatting

Het document illustreert de logistieke problemen en de schaarste aan brandstoffen in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kernpunten zijn:

  1. Brandstofschaarste: Omdat benzine uiterst schaars was, werd er uitgeweken naar alternatieven zoals "samengeperst lichtgas" (persgas) en houtgasgeneratoren ("generator-auto's").
  2. Conflict over toewijzing: Er is een duidelijk conflict tussen de gemeente Amsterdam en de nationale Rijksverkeersinspectie. De inspectie heeft een extra toewijzing van gas geweigerd en stelde voor om houtgas-vrachtwagens in te zetten, wat volgens de gemeente onuitvoerbaar is.
  3. Voedselvoorziening: De burgemeester benadrukt dat zonder deze brandstof de officiële aanvoer via de veiling in gevaar komt. Als tuinders direct aan het publiek gaan verkopen (buiten het gecontroleerde distributiesysteem om), verslechtert de toch al penibele "groentepositie" (voedselvoorraad) van de stad.
  4. Controle: De nadruk op verkoop via de veiling wijst op de pogingen van de overheid (onder toezicht van de bezetter) om de voedselstroom volledig te beheersen en de zwarte handel in te dammen.

Historische Context

Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945). Edward Voûte was de door de Duitsers aangestelde regeringscommissaris/burgemeester van Amsterdam.

In 1943 was de schaarste aan alles – van brandstof tot voedsel – nijpend geworden. De Wehrmacht vorderde de meeste vloeibare brandstoffen voor de oorlogsvoering. Civiel transport was nagenoeg volledig afhankelijk van distributiebonnen en alternatieve brandstoffen. De "Kleine Benzinecommissie" was een lokaal orgaan dat over de uiterst beperkte voorraden voor essentieel stadsverkeer besliste.

De Centrale Markt (tegenwoordig het Food Center aan de Jan van Galenstraat) was het kloppend hart van de Amsterdamse voedseldistributie. De angst van het stadsbestuur voor "rechtstreeksche verkoop door tuinders aan publiek" was ingegeven door de wens om de rantsoenering te handhaven en te voorkomen dat voedsel enkel nog via de zwarte markt tegen woekerprijzen beschikbaar zou zijn voor de rijkere burgers, terwijl de algemene bevolking honger leed. De genoemde "slechte groentepositie" zou in de daaropvolgende jaren alleen maar verergeren, culminerend in de Hongerwinter van 1944-1945.

Gerelateerde Documenten 5