Zakelijke brief / Ambtelijke mededeling.
Origineel
Zakelijke brief / Ambtelijke mededeling. 17 maart 1943. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een vergelijkbare gemeentelijke instantie in Amsterdam). 103/8/2 M.
RP.
17 Maart 1943.
Aan den Heer A.Arenowitz
Tilanusstraat 69 II
Amsterdam.O.
Wijk: 11.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 27 Februari
jl. bericht ik U, dat aan Uw verzoek niet kan worden
voldaan. De Marktplaats van A.I.Rodrigues de Mercado
is namelijk inmiddels reeds ingetrokken.
De Directeur, Het document is een korte, formele mededeling getypt op grauw oorlogspapier. De inhoud betreft de afwijzing van een verzoek dat op 27 februari 1943 door de heer Arenowitz was ingediend. Hoewel de precieze aard van het verzoek niet wordt genoemd, kan uit de context worden afgeleid dat het ging om de overname of het gebruik van de marktplaats (vergunning voor een marktkraam) van ene A.I. Rodrigues de Mercado.
De directeur deelt mede dat aan het verzoek niet voldaan kan worden omdat de marktplaatsvergunning inmiddels "reeds ingetrokken" is. De toon is zakelijk, afstandelijk en bureaucratisch, kenmerkend voor ambtelijke correspondentie uit deze periode. Dit document stamt uit het midden van de Tweede Wereldoorlog (maart 1943) en weerspiegelt de systematische uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven in Amsterdam onder de Duitse bezetting.
Beide genoemde personen (Arenowitz en Rodrigues de Mercado) dragen namen die wijzen op een Joodse achtergrond. De Tilanusstraat, waar Arenowitz woonde, bevond zich in een buurt met een grote Joodse populatie. In de jaren 1941-1943 werden Joodse marktkooplieden stapsgewijs van de Amsterdamse markten verdreven. Eerst moesten zij op aparte "Joodse markten" staan, en later werden hun vergunningen volledig ingetrokken (zoals in deze brief vermeld).
De mededeling dat de marktplaats van Rodrigues de Mercado "is ingetrokken", is een eufemisme voor het feit dat de rechtmatige eigenaar waarschijnlijk door de bezetter van de markt was verwijderd, mogelijk in het kader van de deportaties die in 1943 een hoogtepunt bereikten. Dat Arenowitz een verzoek indiende betreffende deze plek, suggereert een poging om iets van de Joodse handel of eigendommen te behouden of over te nemen, wat door de instanties werd geblokkeerd omdat de plek officieel niet meer bestond of door de overheid in beslag was genomen.