Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). H.H. (initialen). A'dam 1-4-47
H. H.
Voor de Subcommissie A'dam
van de Centrale Erkenningscom-
missie voor de Regeling van de
Handel in Visch moet ik thans
aantonen, dat ik in '38-'39 +/-
visch ge- en verkocht heb.
Daar ik hoofdzakelijk bij
Joodse grossiers kocht, zal
dit mij niet gemakkelijk
vallen. Daar ik ook wel
- zij het geen grote hoeveelheden
- in de gem. Visch Afslag heb
gekocht zou ik U zeer dankbaar
zijn als U mij een verklaring
wilde geven dat ik in die jaren
in de gem. Visch Afslag gekocht
heb of dat ik bij U als koper
bekend ben.
Wanneer U mij deze verklar-
ing wilt geven, zou ik ze * Doel van de brief: De schrijver probeert aan te tonen dat hij/zij al vóór de Tweede Wereldoorlog actief was in de vishandel. Dit is noodzakelijk om een officiële erkenning of vergunning te krijgen van de naoorlogse "Centrale Erkenningscommissie voor de Regeling van de Handel in Visch".
* Bewijsproblematiek: De brief bevat een historisch significante opmerking: de schrijver kocht voor de oorlog hoofdzakelijk bij "Joodse grossiers". Omdat deze ondernemingen en hun administraties tijdens de bezetting door de Holocaust nagenoeg volledig zijn vernietigd, kan de schrijver daar geen bewijsstukken meer opvragen.
* Verzoek: De schrijver hoopt dat de Gemeentelijke Visafslag nog over administratie beschikt waaruit blijkt dat hij/zij daar als kleine afnemer geregistreerd stond, om zo de continuïteit van de bedrijfsvoering aan te tonen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de handel in Nederland sterk gereguleerd om de economie weer op te bouwen en 'wildgroei' te voorkomen. Ondernemers moesten aantonen dat zij vakbekwaam waren en reeds voor de oorlog een legitiem bedrijf voerden. De "Centrale Erkenningscommissie" speelde hierin een filterende rol.
Deze specifieke brief illustreert de administratieve nasleep van de Jodenvervolging in Amsterdam: niet alleen was een enorme gemeenschap weggevaagd, maar ook het economische weefsel en de bewijslast voor hun handelspartners waren daarmee verdwenen. De brief eindigt abrupt onderaan de pagina, wat suggereert dat er mogelijk een tweede blad was of dat de schrijver de zin op de achterzijde vervolgde.