Ambtelijke notitie of conceptbrief.
Origineel
Ambtelijke notitie of conceptbrief. 27 april 1939 (links onderaan genoteerd als 27/4 '39). Ik verzoek U beleefd mij te willen (2
machtigen, Vos op 1 Januari 1940 niet opnieuw
in aanmerking te doen komen voor een over-
huurderskaart. Personen, die zich op de
Centrale Markt aan diefstal schuldig maken behooren
m.i. niet meer voor de gunst, om op de
markt werk te mogen zoeken, in aanmerking
te komen. Indien Vos na 1 Januari 1940
zou verzoeken om als personeel van een
kooper of verkooper (dus van een vasten
patroon) tot de markt te worden toegelaten,
stel ik mij voor, mij daartegen niet te ver-
zetten. Dit is de oorzaak, dat ik U thans
niet voorstel om aan Vos het recht van
toegang tot de Centrale Markt te ontnemen,
voorgoed, voor langeren termijn.
[Initialen/Paraaf, mogelijk 'W']
X 27/4 '39 Het document is een interne correspondentie waarin een disciplinaire maatregel wordt voorgesteld. De auteur adviseert om de 'overhuurderskaart' van een individu genaamd Vos niet te verlengen per 1 januari 1940. De reden hiervoor is dat Vos zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal op de markt.
De schrijver hanteert hierbij een moreel en beleidsmatig argument: toegang tot de markt om werk te zoeken wordt gezien als een 'gunst' die vervalt bij wangedrag. Opvallend is de nuance in het tweede deel van de tekst. De auteur stelt voor om de toegang niet volledig en voorgoed te ontzeggen; indien Vos in dienst zou treden bij een vaste werkgever (een 'kooper of verkooper'), zou hij wel weer toegelaten mogen worden. Dit suggereert dat men van mening was dat onder toezicht van een 'vasten patroon' het risico op herhaling kleiner was, of dat men een onderscheid maakte tussen zelfstandige gelukzoekers en regulier personeel. Dit document stamt uit april 1939, een periode waarin de Centrale Markthallen in Amsterdam (geopend in 1934) het kloppende hart vormden van de voedseldistributie in de stad. De markt was streng gereguleerd om de orde en eerlijkheid in de handel te bewaken.
Diefstal was een serieus probleem op de uitgestrekte marktterreinen, en het intrekken van de marktpas (in dit geval de 'overhuurderskaart', bedoeld voor losse arbeiders of tussenpersonen) was een veelgebruikt middel om ongewenste elementen te weren. De tekst geeft een inkijkje in de administratieve rechtspraak van die tijd, waarbij de marktmeester of directeur een grote mate van discretionaire bevoegdheid had over wie er op het terrein mocht werken.