Pagina uit een Proces-Verbaal (Bladzijde 4).
Origineel
Pagina uit een Proces-Verbaal (Bladzijde 4). 12 december 1939 (datum van opmaak); verklaringen afgelegd op 11 december 1939. Bladzijde 4.
Proces-Verbaal No. 2e Sectie 2e Afdeeling.
Huizen. Vóór vertrek stelde hij ter mijne beschikking een bedrag van f 12,- voor kost en inwoning. Bovendien stelde hij ter mijne beschikking een bedrag van f 25,- en verzocht mij dit over te brengen naar zijn baas, den heer LEENDERT VAN SMEERDIJK, omdat hij zijn baas, zooals hij mededeelde, voor dat bedrag had benadeeld, door kisten van hem weg te nemen. Ik beloofde hem dit te zullen doen en nam beide bedragen in ontvangst. Ik ben evenwel bevreesd, dat ook het bedrag van f 12,- hetwelk hij aan mij betaalde, van misdrijf afkomstig is en wensch het daarom niet te behouden. Ik heb intusschen vernomen dat U met betrekking tot dit geld een zaak in onderzoek heb en wensch het geld aan U ter hand te stellen. (Ik, verbalisant, ontvang uit handen van Meinster een bedrag van f 37,- welk bedrag ik in beslag neem.)
Op 11 December 1939 gehoord: MARINUS CORNELIS VAN SMEERDIJK, oud 26 jaar, verkooper, wonende Dennenlaan 90 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, die verklaarde:
"Ik ben als verkooper in dienst bij mijn broer, LEENDERT VAN SMEERDIJK, en als zoodanig meestal werkzaam in het pakhuis van mijn broer op pier B, aan de Centrale Markt, alhier. In het zelfde pakhuis is eveneens in dienst van mijn broer, LEENDERT, meestal werkzaam mijn neef, JAN WILLEM VAN SMEERDIJK. Jan Willem is in den regel belast met het innemen van fust aan de achterzijde van dat pakhuis, terwijl ik aan de voorzijde met den verkoop ben belast. Ik heb thans vernomen, dat hij gedurende geruimen tijd, ten nadeele van mijn broer kisten heeft verduisterd en wel in samenwerking met PIETER VAN EKEREN. Ik heb daaraan niet deelgenomen en ook nimmer iets van bemerkt, zoodat ik U daaromtrent geen inlichtingen kan verschaffen."
Op 11 December 1939 gehoord: ABRAM VAN SMEERDIJK, oud 34 jaar, handelaar in groenten en fruit, wonende Kinderdijkstraat 29 te Amsterdam (Z), die verklaarde: "Ik heb in mijn dienst PIETER VAN EKEREN, wonende 1ste Jan van der Heijdenstraat 63 III te Amsterdam (Z). Ik heb op 11 December 1939 te omstreeks 7.15 uur voormiddag aan hem geen opdracht gegeven voor mij ledige kisten in te leveren bij BAREND VAN DIJK."
Vorenstaande verklaringen zijn in concept opgenomen en daar door niet geteekend, Behalve den aan mij, verbalisant, ter hand gestelden brief wordt bij dit proces-verbaal gevoegd de aan mij door Barend van Dijk ter hand gestelde bon.
Daar de kisten slechts als soortgelijk konden worden herkend heb ik deze teruggegeven aan Barend van Dijk. Op last van den heer Commissaris van Politie in de 2de sectie zal het aan mij ter hand gesteld bedrag ad f 37.- volgens wettelijk voorschrift worden gedeponeerd ter griffie van de Arrondissementsrechtbank alhier.
Hiervan op ambtseed opgemaakt en gesloten dit proces-verbaal te Amsterdam den 12 den December 1939.
Gezien:
de Commissaris van Politie
in de 2de Sectie. * Kern van de zaak: Het document betreft een onderzoek naar de verduistering van houten kisten (fust) door werknemers op de Centrale Markt in Amsterdam.
* De daders: Jan Willem van Smeerdijk wordt ervan beschuldigd kisten te hebben gestolen van zijn oom/werkgever Leendert van Smeerdijk, vermoedelijk in samenwerking met Pieter van Ekeren.
* Bewijslast: Er is sprake van een som geld (f 37,-) die door een tussenpersoon (Meinster) aan de politie is overgedragen. Dit bedrag bestond deels uit een terugbetaling voor de gestolen kisten (f 25,-) en deels uit dubieus geld voor kost en inwoning (f 12,-). Ook een bon van Barend van Dijk dient als bewijsstuk.
* Juridische afwikkeling: De kisten zelf konden niet individueel geïdentificeerd worden ("slechts als soortgelijk herkend") en zijn daarom teruggegeven. Het in beslag genomen geld is gedeponeerd bij de griffie van de Arrondissementsrechtbank.
* Taalgebruik: Het document hanteert formeel-juridisch Nederlands uit het interbellum, met termen als "verduisterd", "verbalisant", "ter griffie" en "in den regel". Dit proces-verbaal biedt een inkijkje in de logistieke criminaliteit rondom de Centrale Markt in Amsterdam aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog (december 1939). De Centrale Markt was destijds de spil in de voedselvoorziening van de stad. De handel in leeg fust (kisten) vertegenwoordigde een aanzienlijke waarde; diefstal en illegale doorverkoop van deze materialen kwam veelvuldig voor in de transportsector. Opvallend is de familieband tussen de betrokkenen (meerdere personen genaamd Van Smeerdijk), wat wijst op een familiebedrijf waarin het interne vertrouwen werd geschonden. Politie