Getypte ambtelijke brief/nota.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/nota. 18 april 1939 (genoteerd als '18 April 9'). Een niet bij naam genoemde dienstchef (vermoedelijk van de Marktdienst). 1 18 April 9
85/47/3 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
Zooals uit myn voorstel d.d. 8 November 1937 no.
85/13/1 M en het daarbij gevoegde rapport van den Inspecteur
van myn dienst blykt, heerschte er eenige jaren geleden op
de verschillende markten, wat het plaatsen van kramen voor
markttyd betreft, een ongeregelde toestand, daar iedereen
vry was om kramen te plaatsen. Het gevolg was, dat zich een
hevige concurrentiestryd ontwikkelde en dat de orde en de
rust op de markten herhaaldelyk werden verstoord. Eenige ja-
ren lang zyn onder leiding van den Inspecteur van myn dienst
tusschen vertegenwoordigers der kramenverhuurders eenerzyds
en der marktkooplieden anderzyds besprekingen gevoerd, ten-
einde tot een prysregeling van de hier ter stede te heffen
kramenhuren te geraken. Aan het einde van het jaar 1937 is
hieromtrent overeenstemming tusschen beide partyen bereikt,
hetgeen tot resultaat heeft gehad, dat op 1 December 1938 de
kramenbelasting kon worden ingevoerd.
Zooals uit het hierboven genoemde rapport van den
Inspecteur blykt (bladzyde 5) bestond reeds tydens de onder-
handelingen de afspraak tusschen de kramenverhuurders onder-
ling om niet te trachten elkanders klanten af te nemen. Hier-
door werd inderdaad voorkomen, dat er wanordelykheden op de
markten plaatsvonden. Thans, nu de gemeentelyke regeling
werkt, blykt echter, dat enkele verhuurders, die niet zyn
georganiseerd, zich niet meer aan de afspraak houden, het-
geen zy aanvankelyk wel deden. Zy trachten de klanten van
andere verhuurders af te nemen; dit geschiedt onder het voor-
wendsel, dat zy hun materiaal aan de marktkooplieden - klan-
ten van andere verhuurders of hun eigen klanten - "verkoo-
pen". Van een reëelen verkoop is meestentyds geen sprake; de
koopman ontvangt zoo noodig een kwitantie, om daarmede aan
te toonen, dat hy de kar heeft gekocht, al of niet in huur-
koop. Deze gang van zaken is voor de Gemeente nadeelig, om-
dat van zoogenaamde "eigen kramen" geen belasting is ver-
schuldigd. Voor de kramenverhuurders, die zich nog aan even-
genoemde afspraak houden, beteekent dit een ondermyning van
hun positie; zy worden zonder meer de dupe van de unfaire
practyken van enkele hunner collega's. Zouden deze practyken In deze brief rapporteert een ambtenaar aan de wethouder over de complicaties die zijn ontstaan na de invoering van de kramenbelasting in Amsterdam op 1 december 1938.
De kernpunten van het document zijn:
1. Historische context: Vóór 1937 was de marktkoop ongereguleerd, wat leidde tot "hevige concurrentiestryd" en verstoring van de openbare orde.
2. Regulering: Na langdurig overleg tussen verhuurders en kooplieden werd in 1937 een prijsregeling getroffen, die de weg vrijmaakte voor een officiële gemeentelijke kramenbelasting in 1938.
3. Het probleem: Niet-georganiseerde kramenverhuurders omzeilen de nieuwe belastingregels door kramen pro forma te "verkopen" aan de marktkooplieden. Aangezien eigenaren van kramen ("eigen kramen") geen belasting verschuldigd zijn, loopt de gemeente inkomsten mis.
4. Gevolgen: Deze schijnconstructies zorgen voor oneerlijke concurrentie ten opzichte van verhuurders die zich wel aan de regels en de onderlinge afspraken (het niet afpakken van klanten) houden.
De tekst breekt abrupt af aan het einde van de pagina midden in een zin, wat suggereert dat er een vervolgpagina was waarop waarschijnlijk voorstellen tot handhaving of reparatie van de regelgeving stonden. Dit document stamt uit het voorjaar van 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode probeerde de gemeente Amsterdam de greep op de informele economie van de straatmarkten te vergroten door middel van strakkere regelgeving en belastingheffing. De genoemde "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in die tijd een cruciale post, verantwoordelijk voor de distributie en de markten in de stad.
De taal is kenmerkend voor de ambtelijke spelling van vóór de hervorming van 1947, met het gebruik van de 'y' in plaats van 'ij' (myn, blykt, partyen) en de verbogen naamvallen (den Inspecteur, der kramenverhuurders). De term "unfaire practyken" verraadt een morele verontwaardiging over het ontduiken van de nieuwe gemeentelijke verordening.