Ambtelijke brief / Correspondentierapport.
Origineel
Ambtelijke brief / Correspondentierapport. 21 mei 1940. De Officier van Justitie (ondertekend door P. Kleene). PARKET VAN DEN
OFFICIER VAN JUSTITIE
TE AMSTERDAM
No. 1623/II/A/1940
BIJLAGE
(Bovenaan gecentreerd in blauwstempel/inkt): Nº 1/39/1 M. 1940 22/5
AMSTERDAM, 21 Mei 1940.
(Handgeschreven aantekening in de linkerbovenhoek):
ter handen van de Spiegel s.v.p. (gevolgd door een paraaf/handtekening)
(Ingekaderde tekst rechtsboven):
Men wordt verzocht bij de aanhaling dezer missive, nevenstaand nummer te vermelden!
Op 30 Maart l.l. heeft een zekere Jan Frederik Muller, geboren 26 Februari 1906 te Amsterdam en wonende aldaar in een logement aan de Oude Zijds Achterburgwal 39-A (vroeger aan de Brouwersgracht 99) in een rijwielstalling hier ter stede een bakfiets gehuurd en niet teruggebracht.
Tegenover den stallinghouder legitimeerde hij zich met een legitimatiekaart van de Centrale Markt - gele kaart - voor 1940, genummerd 2544 met portret, afgegeven aan J.F. Muller.
Bij zijn aanhouding beweerde hij, dat een ander onrechtmatig van die kaart gebruik moest hebben gemaakt daar hij omstreeks 25 Maart zijn kaart verloren had en van dat verlies ook aangifte aan het Centrale Marktwezen had gedaan.
(Links in de kantlijn gemarkeerd met een kruis en een streep): ( X |
Gaarne zal ik van U vernemen of dit juist is, bij U inderdaad een dergelijke aangifte vóór 30 Maart is ingekomen.
De kaart is bij den stallinghouder achtergebleven en bevindt zich thans bij de stukken.
Met het oog op het feit dat de strafzaak reeds is aangebracht mag ik wel op spoedig bericht aandringen. -
Den Heer Directeur van de
Centrale Markthallen
Jan van Galenstraat 14
A m s t e r d a m .
De Officier van Justitie:
(Signatuur)
P. KLEENE
(Linksonder in de marge): U.G.S 1002 - 5000 - 1940. * Inhoud: Het document betreft een verzoek om inlichtingen in een strafzaak. Een verdachte, Jan Frederik Muller, wordt beschuldigd van het verduisteren van een bakfiets op 30 maart 1940. Hij gebruikte daarbij een officiële 'gele kaart' van de Centrale Markthallen als legitimatie. De verdachte voert aan dat hij zijn kaart al vóór het misdrijf verloren was en hiervan aangifte had gedaan. De Officier van Justitie verzoekt de directeur van de Markthallen om deze aangifte te verifiëren om te bepalen of Muller de dader is of dat er sprake is van identiteitsfraude.
* Juridische context: De term "strafzaak reeds is aangebracht" duidt aan dat de zaak al onder de rechter is of dat de vervolging formeel is ingezet, wat de spoed achter het verzoek verklaart.
* Sociale details: De verdachte verbleef in een logement aan de Oudezijds Achterburgwal, wat in die tijd vaak wees op een precair sociaal-economisch bestaan of een zwervend bestaan. * Historisch tijdsgewricht: De datum van de brief is uiterst opmerkelijk: 21 mei 1940. Dit is slechts zes dagen na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland (15 mei 1940). De brief toont aan dat de civiele rechtspraak en de ambtelijke molen in Amsterdam direct na de inval 'business as usual' doorvoerden voor alledaagse criminaliteit, ondanks de enorme politieke en militaire omwentelingen in het land.
* Locatie: De Centrale Markthallen (geopend in 1934) aan de Jan van Galenstraat vormden de 'buik van Amsterdam'. Een legitimatiekaart voor dit terrein was essentieel voor handelaren en transporteurs; misbruik van dergelijke documenten was een serieuze zaak voor de voedseldistributie en openbare orde.
* Afzender: Petrus Kleene (1893-1970) was een bekende Officier van Justitie in Amsterdam die ook tijdens de bezettingsjaren in functie bleef.