Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. 13 december 1940. [Linksboven, handgeschreven/stempel:]
№ 1/55/2
Bezien [geparafeerd]
1140 hm 1940
[Rechtsboven, stempel en tekst:]
M. 1940 27/12
Marktw.
Ter kennis brengen van de diensthoofden van een aangebrachte wijziging in de op bestekswerken geldend verklaarde Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Electro-technische Industrie.
[Midden:]
No. 22/11¹ Arb. 1940.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Vrijdag, 13 December 1940.
De Wethouder voor de Arbeidszaken herinnert de vergadering aan haar besluit van 14 Juni 1940, No. 22/11a Arb. 1940, waarbij de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Electrotechnische Industrie 1940-1941 werd geldend verklaard op de gemeentelijke bestekswerken en deelt mede, dat in deze Collectieve Arbeidsovereenkomst onder de artikelen 6a 1o en 6a 2o twee duurtetoeslagregelingen waren opgenomen, n.l.:
1o een duurtetoeslagregeling geldend voor de werknemers in dienst bij leden van de werkgeverscontractanten: "de Amsterdamsche leden van den Electrobond";
2o een duurtetoeslagregeling, geldend voor de werknemers in dienst bij leden van de overige werkgeverscontractanten, t.w.:
a. de afdeeling Amsterdam van de Nederlandsche Vereeniging van Electrotechnische Werkgevers;
b. de afdeeling Amsterdam van den Nationalen Bond van R.K. Electrotechnische Werkgevers "St. Antonius" en
c. de V.E.I. (Vereenigde Electrotechnische Installateurs) gevestigd te Amsterdam.
Thans is, zoo vervolgt spreker, van de afdeeling Amsterdam van den Algemeenen Nederlandschen Metaalbewerkersbond bij schrijven van 27 September 1940, Lr.R./M, No. 4257, de mededeeling ontvangen, dat, ingevolge een beslissing van het College van Rijksbemiddelaars van 30 Augustus 1940, op een verzoek, gedaan door de hierboven onder 2o vermelde werkgevers-contractanten de bovengenoemde Collectieve Arbeidsovereenkomst in dier voege is gewijzigd, dat artikel 6a met ingang van de eerste volle loonweek na 1 September 1940 is komen te vervallen. Voorts is spreker bij onderzoek gebleken, dat door voornoemde beslissing van het College van Rijksbemiddelaars niet is komen te vervallen de eveneens onder artikel 6a 1o opgenomen duurtetoeslagregeling, geldend voor werknemers in dienst bij de onder 1o genoemde werkgevers-contractanten.
Spreker stelt voor deze wijziging der Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Electrotechnische Industrie 1940-1941 ter kennis te brengen van de hoofden der gemeentelijke diensttakken.
De Wethouder voornoemd vestigt er de aandacht op, dat de rechtspositie der werklieden, aangenomen in gemeentedienst voor werkzaamheden van zeer tijdelijken aard (art. 1 W.R.), zich regelt naar de "Bepalingen omtrent minimum-loon, maximum-arbeidsduur en huisvesting in bestekken voor gemeentewerken" en mitsdien ook naar de eventueel op gemeentelijke bestekswerken geldend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten voor zoover daarin dezelfde punten, eventueel anders, zijn geregeld als in voornoemde "Besteksbepalingen".
Aangezien een duurtetoeslagregeling feitelijk een deel van het loon uitmaakt en daarmede één geheel vormt, is de in bovengenoemde Collectieve Arbeidsovereenkomst vervatte duurtetoeslagregeling ook op vorengenoemde art. 1 werklieden toegepast. Naar aanleiding van een desbetreffende vraag van de Directie van het Gemeente Energiebedrijf heeft spreker destijds geadviseerd voor de "art. 1 werklieden", die bij de Gemeente werkzaam zijn, de duurtetoeslagregeling te volgen, geldend voor werknemers in dienst bij leden van de hierboven onder 2o genoemde werkgeverscontractanten.
Nu deze duurtetoeslagregeling voor die contractanten is komen te vervallen, rijst de vraag of deze duurtetoeslag thans nog wel aan de z.g. "art. 1 werklieden" dient te worden uitbetaald. Spreker meent deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden, gelet op het feit, dat de duurtetoeslagregeling in dit vak is komen te vervallen voor de werknemers in dienst bij het grootste deel der werkgevers- Dit document betreft een formeel besluit van het Amsterdamse college van B&W over de arbeidsvoorwaarden van tijdelijk overheidspersoneel (de zogenaamde "artikel 1 werklieden"). De kern van de zaak is de koppeling tussen de CAO van de elektrotechnische sector en de gemeentelijke loonvorming.
In de zomer van 1940 is door het College van Rijksbemiddelaars besloten om een specifieke toeslag (de duurtetoeslag, bedoeld om prijsstijgingen op te vangen) voor een groot deel van de sector af te schaffen. De Wethouder voor Arbeidszaken adviseert hier om deze lijn door te trekken naar de gemeente-arbeiders. Het document illustreert de bureaucratische afstemming tussen private sector-afspraken en publieke rechtsposities. Het document dateert van december 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de bezettingsmacht al aanwezig was, functioneerden de Nederlandse administratieve organen zoals het College van Rijksbemiddelaars nog volgens bestaande structuren, zij het onder toenemende toezicht van de bezetter.
In deze periode was er sprake van een beginnende loon- en prijsbeheersing. De afschaffing van duurtetoeslagen kan worden gezien in het licht van de economische druk en de pogingen van de autoriteiten om inflatie en loonkosten te beheersen. De vermelding van verschillende bonden (waaronder de Rooms-Katholieke bond "St. Antonius") herinnert aan de verzuilde structuur van de Nederlandse arbeidsmarkt die toen nog intact was, vlak voordat de bezetter de vakbonden zou gelijkschakelen of ontbinden.