Archiefdocument
Origineel
1940 Volgn. 447
GEMEENTEBLAD
Afdeeling 4
AFVALLENBESLUIT 1940 I (AFVALLEN VAN LEVENSMIDDELEN, ENZ).
Op grond van het besluit van 5 October 1940, Verordeningenblad Stuk 32, No. 181, en in overeenstemming met §§ 2 en 3 der Verordening No. 3/1940 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied wordt bepaald:
ART. 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
-
„Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van het Departement van Landbouw en Visscherij;
-
„afvallen van levensmiddelen”: aardappelschillen, groentenafvallen, waaronder begrepen groenten, welke op de veilingen de vastgestelde minimum prijzen niet hebben opgebracht, fruitafvallen, vleesch, visch- en broodresten en alle andere etensresten, beenderen daaronder begrepen.
ART. 2
-
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens eenig ander wettelijk voorschrift is een ieder verplicht alle te zijner beschikking staande afvallen van levensmiddelen te bewaren en die afvallen van levensmiddelen, alsmede de cadavers van door hem gehouden honden en katten, ter beschikking te stellen van het bestuur van de gemeente, op welker grondgebied de afvallen en cadavers aanwezig zijn, dan wel van den houder eener vergunning, als bedoeld in art. 5, lid 1.
-
De verplichting tot het bewaren en ter beschikking stellen van afvallen van levensmiddelen geldt niet ten aanzien van afvallen van levensmiddelen, welke afkomstig zijn van de huishouding van den houder en door dezen bestemd zijn tot voedingsmiddelen voor personen of dieren, die tot zijn huishouding of bedrijf behooren.
-
De verplichting tot het bewaren en ter beschikking stellen van afvallen van levensmiddelen geldt evenmin ten aanzien van afvallen van levensmiddelen, welke afkomstig zijn van het bedrijf van den houder of derden en door den houder bestemd zijn om te worden gebruikt in zijn huishouding of bedrijf of door hem in de normale uitoefening van zijn bedrijf verhandeld plegen te worden, onder voorwaarde, dat door den houder ten aanzien van de afvallen wordt gehandeld overeenkomstig de door den Secretaris-Generaal, zoo noodig, te geven voorschriften. Dit document is een officieel gemeentebesluit uit 1940 betreffende het verplicht inzamelen van organisch afval. De kern van het besluit is de verplichting voor burgers om "afvallen van levensmiddelen" (gedefinieerd in Art. 1) te bewaren en af te staan aan de gemeente of erkende inzamelaars.
Opvallend is de toevoeging in Artikel 2, lid 1, die met rode pen is onderstreept: de verplichting geldt ook voor de "cadavers van door hem gehouden honden en katten". Er zijn uitzonderingen voor afval dat binnen de eigen huishouding wordt hergebruikt (bijvoorbeeld als veevoer) of dat onderdeel is van de normale bedrijfsvoering. Het besluit dateert van kort na de Duitse inval in Nederland (mei 1940). De verwijzing naar de "Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied" (Arthur Seyss-Inquart) duidt op de juridische inbedding in het bezettingsbestuur.
In de context van oorlogsschaarste werd de recycling van organisch materiaal cruciaal. Voedselresten werden ingezameld als veevoer (vooral voor varkens), en dierlijke kadavers en beenderen werden verwerkt voor de winning van vetten, lijm en andere industriële grondstoffen. De expliciete vermelding van dode huisdieren onderstreept de verregaande mate waarin de bezetter alle beschikbare middelen trachtte te mobiliseren voor de oorlogseconomie.